VU-Kamerorkest home

Bela Bartók

5 Hongaarse Schetsen Sz.97


1. Een avond in Transsylvanië
2. Berendans
3. Melodie
4. Slightly tipsy
5. Varkenshoedersdans
In 1931 heeft Bartók vijf stukken, afkomstig uit vier verschillende bundels pianomuziek uit de jaren 1908-1911 georkestreerd “om wat geld te verdienen”, zoals hij zelf schreef. Alle stukken zijn gelieerd aan de Hongaarse volksmuziek.

In de eerste decennia van de twintigste eeuw heeft Bartók (samen met Kodaly) het platteland van Hongarije, Transsylvanië en Roemenië afgereisd om de volksmuziek te documenteren. Deels ging dat met een notenboekje, deels met een fonograaf (een opnemende grammofoon). Bartóks fascinatie met de volksmuziek komt enerzijds voort uit nationalistische gevoelens, die in die tijd erg in zwang waren (en op de Balkan eigenlijk nog steeds), anderzijds omdat hij in die muziek mogelijkheden voor een nieuw compositie-idioom herkende: bijvoorbeeld pentatoniek en gebruik van kerktoonladders. Dit idioom sloot wonderwel aan bij wat aan de andere kant van Europa bedacht werd door Debussy.

Bartók, die enerzijds een ongenaakbare modernist was, wilde zelf ook dat de twintigste-eeuwse muziek toegankelijk was voor de brede massa, en speciaal voor amateurmusici. Hij heeft bundels met “Easy Piano Pieces” geschreven, en “For Children” met (steeds minder) makkelijke stukjes.

De vijf Hongaarse schetsen laten zien hoe wisselend Bartók omging met de volksmuziekinvloeden. Dat kan varieren van rechtstreeks overnemen van een volksmelodie met eenvoudige akkoorden of met eigen, “moderne” Debussiaanse akkoorden, via een soms onherkenbaar gemanipuleerde melodie, tot het componeren in de stijl van sommige volksmuziekgenres maar met eigen harmonieen.

“Een avond in Transsylvanie” heeft twee eigen thema’s; de eerste een elegische parlano-rubato melodie, de tweede een vrije imitatie van fluitspel bij Transsylveense boerendansen.

De tweede schets is de “Berendans”, waarbij de beer natuurlijk moet hopsen op de noten van tuba, fagot en contrafagot. Beide schetsen zijn afkomstig uit “10 Easy Piano Pieces”, 1908.

De derde schets is een bewerking van een Hongaars volkslied, dat over een herder gaat die zijn kudde kwijt raakt omdat hij tijdens het hoeden in slaap valt. De melodie is zover uitgebreid dat het origineel nauwelijks herkenbaar is. Het stuk komt uit “4 Dirges” (klaagzangen) Op. 9A. De prachtige melodie verzandt tegen het einde in etherische klankvelden die door toonladders van de houtblazers gecreeerd worden. Zo’n techniek heeft Bartk zijn hele leven gebruikt, van “Blauwbaards Burcht” tot “Concert voor Orkest”.

De vierde schets, “Slightly Tipsy” speelde Bartk heel graag zelf op zijn recitals. Het tempo moet op zijn dronkemans voor- en achteruit zwalken, en tussendoor komt een pathetische strijkersmelodie om te illustreren hoe ernstig het uitzicht door de dranknevel wel niet kan wezen. De instrumentatie met houtblazersnoten in absurde liggingen voegt toe aan de (on)gein. Het stuk komt uit “3 Burlesques” Op. 8C. De eigen thema’s zijn geinspireerd op Hongaarse volksliederen zoals een “Doedelzak-polka”, en de harmonieen en al die voorslagen in de melodieën zijn onvervalste moderniteiten.

De “varkenshoedersdans” is een bewerking van een absurd varkenshoedersliedje dat over de bruiloft tussen de krekel en de dochter van de mug gaat. Bartk heeft ook een opname gemaakt van een herder die dit liedje op zijn ‘furulya’ (herdersfluit) speelt. In de orkestratie is het einde veranderd ten opzichte van het pianostuk uit “For Children”. Er is een dialoog tussen soloviool en piccolo toegevoegd, waarin de melodie geleidelijk uit-fade-t.

Rutger Hofman

VU-Kamerorkest home


View My Stats