VU-Kamerorkest home

Ludwig van Beethoven (1770 – 1827)

Het is bekend dat Ludwig van Beethoven het grootste deel van zijn scheppende leven doof was. Reeds in 1796 begonnen de eerste ver­schijnselen ervan zich te manifesteren. Het besef dat zich een onom­keerbaar proces voltrok maakte hem neerslachtig en isoleerde hem in sociaal opzicht.

In Beethovens werk kun­nen drie perioden worden onder­scheiden. De eerste periode is duidelijk gebon­den aan de klassieke stijl van Haydn en Mozart, al is het eigene van Beethoven na­tuurlijk al duidelijk te ho­ren. In de tweede periode ontwikkelt Beethoven zich verder en maakt hij zich definitief los van de klas­sieke stijl.

In de derde periode krijgt Beethovens muziek een meer bespiegelend en in­trospectief karakter. Beet­hoven was een gevestigd componist geworden, die door opdrachtgevers van voldoende werk en inkomsten werd voorzien. Zijn doofheid werd echter een steeds grotere kwelling. Meer en meer verloor hij het contact met anderen en raakte hij in zichzelf gekeerd. Hij werd knorrig, opvlie­gend en enorm achterdochtig, zelfs jegens zijn vrienden. Familieproble­men, een zwakke gezondheid en een ongefundeerde angst voor armoede plaagden Beethoven, en slechts door uiterste wilsinspanning bleef hij temidden van al deze problemen componeren. De laatste vijf pianosona­tes, de Missa Solemnis, de Diabellivariaties en de Negende Symfonie behoren tot deze periode. Deze werken werden nog gevolgd door de laatste strijkkwartetten, Beethovens muzikale testament. Bij zijn dood had hij nog plannen voor een tiende symfonie en vele andere werken.

Vanaf omstreeks 1816 leefde Beethoven in een geluidloze wereld, waar de tonen nog slechts klonken in zijn geest. Zijn composities kregen steeds meer een meditatief karakter, waarbij vorm en klankkleur zich steeds meer losmaakten van wat de traditie voorschreef. De negende symfonie geeft daar veel voorbeelden van.

Bij de eerste uitvoering was de negende symfonie een groot succes. Het grote, voorname publiek barstte uit in een stormachtige ovatie. Beetho­ven draaide zich niet om om het publiek te bedanken – hij hoorde het niet. Een van de solisten moest hem bij de mouw pakken en wijzen op de klappende handen en wuivende hoeden en zakdoeken. Ondanks dit succes moeten we vaststellen dat weinig tijdgenoten Beethovens laatste werken begrepen. Zijn muziek was te persoonlijk geworden om navol­ging te krijgen. Latere componisten zijn vooral beïnvloed door werken uit Beethovens middenperiode.

Uit: Geschiedenis van de westerse muziek, Donald J. Grout e.a.

Symfonie in d, op. 125 (1824)


1. Allegro ma non troppo e un poco maestoso
2. Molto vivace
3. Adagio molto e cantabile — Andante moderato
4. Presto — Allegro Assai — Presto — Rezitativo — Allegro assai vivace alla marcia — Allegro ma non tanto “Ode an die Freude”
Zonder twijfel is de Negende Symfonie Beethovens beroemdste en meest omstreden werk. Vanaf de eerste uitvoering in 1824 te Wenen tot op de dag van vandaag is de symfonie bij uitstek een publiekslieveling en kan elk mens ouder dan een jaar of vier de melodie van ‘Ode an die Freude’ meeneuriën. Bij de val van het IJzeren Gordijn en de Berlijnse Muur was geen muziekstuk geschikter om uiting te geven aan de euforische ge­voelens van bevrijding en broederschap. Tegelijkertijd heerst echter bij veel musicologen een andere mening: zij halen bij de Negende minzaam hun neus op en doen het stuk af als een monstrueus vehikel, al dan niet vergezeld van het commentaar “alleen de eerste 18 maten van het Ada­gio vind ik mooi” of “geef mij de Achtste maar”. Zelfs Mendelssohn schreef in een brief: “vanaf waar de zangstemmen inzetten, begrijp ook ik het werk niet”.

Desalniettemin zal niemand de revolutionaire effecten die de Negende op muzikaal gebied sorteerde ontkennen. Die effecten braken overigens pas aan het eind van de 19e eeuw definitief door. Lange melodiefrasen vormen een typisch romantisch kenmerk; de geheimzinnige inleiding stond model voor enkele Bruckner-symfonieën. Het toevoegen van een koor en zangsolisten in het laatste deel was nooit eerder in een symfonie gedaan en door de ondubbelzinnige tekst van Schiller verschafte dit het opus een sterke ideologische lading, die in latere interpretaties nog sterk werd aangedikt (bijvoorbeeld door Lenin, die er het communistisch ide­aal in terugzag). Mahler heeft veel aan Beethoven te danken met zijn gi­gantische symfonische bouwsels die, verhalend over de worsteling van de mens, niet zelden gebruik maken van koor en solisten.

Er zit een duidelijke ontwikkeling in de symfonie van donker naar licht. Het eerste deel, Allegro non troppo e un poco maestoso, kan samengevat worden onder de titel ‘Strijd’. Met zeer eenvoudige middelen begint Beethoven zijn tour de force. Heel zacht leggen de strijkers een dekentje neer van snelle sextolen op A en E, versterkt door de hoorns. Na een paar maten maken de eerste violen van deze twee noten een melodie, in dalende opeenvolging gespeeld: e-a, a-e, e-a. De harmonische en ritmi­sche spanning neemt toe, resulterend in een fortissimo-uitbarsting van het hele orkest, die echter snel weer wegzinkt in pianissimo. Pas na een tweede aanloop wordt het heftige, strijdlustige eerste thema neergezet. De onverbiddelijke sfeer maakt al snel plaats voor een tweede thema­groep in Bes. Houtblazers heffen hier kort een lieflijker melodie aan, aangevuld door golvende strijkers. Smeekbeden en heroïsche statements, die aan het Vijfde Pianoconcert doen denken, wisselen elkaar in hoog tempo af. De harmonie is labiel.

Vervolgens lijkt de traditionele herhaling in te zetten: de e-a-constructie van het begin keert terug. Echter na enkele maten, nog immer in pianis­simo, moduleert Beethoven plots op subtiele wijze, en blijken we in de doorwerking te zitten. Het eerste en tweede thema worden in een textuur van fugato’s door verschillende orkestsecties uiteengetrokken. Het meest dramatische moment in het deel wordt bereikt als aan het eind van de doorwerking het orkest opeens in een zeer gewelddadige episode belandt waarin de pauken woest razen. De reprise volgt, waarin niets is wat het lijkt. Instrumentgroepen veranderen van plaats, ritmes en harmonieën worden gemanipuleerd en motieven volgen elkaar in sneller of juist veel langzamer tempo op.

De coda van het eerste deel is ingenieus van opzet. Bruckner zou deze nog vaak imiteren. Het slot wordt ingeleid door repeterende tremololij­nen in de lage strijkers en blazers; andere instrumenten vallen in, een ge­nadeloos crescendo volgt, de spanning wordt ondraaglijk en in fortissimo wordt het hoofdmotief uit het eerste thema uitgestoten. De strijd is onbe­slist.

Het tweede deel is een Scherzo, dat de demonie uit het eerste deel hoog in het vaandel houdt. Molto vivace wordt in vier stevige octaafsprongen de hoofdgedachte neergezet; hierin zit reeds het lang-kort-lang-ritme be­sloten (‘Amsterdam’ op z’n Engels uitgesproken) dat het hele deel over­heerst. Na een generale pauze volgt een obsessieve achtervolging in staccato-stijl. De stemming is grimmig en banaal, met een markante rol voor de pauken.

Hoe anders van aard is dan het middendeel! D-groot overheerst hier. Ondanks de voortgaande staccato-loopjes klinken de alt/cello- en hoorn­solo’s als hymnen, en worden we herinnerd aan de rustieke landschappen van de Zesde (‘Pastorale’) Symfonie. De bevrijdende sfeer kan als een vooruitwijzing naar het slotdeel worden gezien. Voorlopig echter keert het scherzo onverbiddelijk weer terug.

Naar goede laat-negentiende-eeuwse traditie wordt het Adagio molto e cantabile - Andante moderato door dirigenten meestal veel langzamer genomen dan Beethoven ooit bedoeld kan hebben. Geheel onbegrijpelijk is dit niet, gezien de weidse melodieën die zich gaandeweg ontvouwen.

Het eerste Adagiothema, door violen en blazers uiteengezet, bezit een hemelse rust en zaligheid, wat in schril contrast staat met het vooraf­gaande. Het Andante, door de alt- en tweede violen ingezet, is van een veel aardser schoonheid. Deze melodie wordt in syncopen door de lage strijkers begeleid, en vormt samen met het Adagio de basis voor een aantal in virtuositeit toenemende variaties en omspelingen; een atletische rol is weggelegd voor de vierde hoorn.

De rust waarmee het deel eindigt wordt zeer wreed verstoord wanneer de blazers met ongekende diaboliek ons eraan herinneren dat het Kwaad nog niet verslagen is. Vanaf dit moment treedt Beethoven buiten alle muzikale paden, ook die door hemzelf in het verleden zijn gebaand. De celli en contrabassen nemen de rol van Voorganger op zich: in quasi-re­citatiefstijl verwerpen zij met grommende afkeuring het helse lawaai van de blazers (uit oorspronkelijke schetsen blijkt dat Beethoven deze rol ei­genlijk aan de baszanger toebedeeld had, inclusief tekst). Vervolgens worden door het orkest in chronologische volgorde fragmenten van de vorige delen gespeeld, die echter zonder uitzondering op forse afstraffing van de lage strijkers kunnen rekenen. Pas bij de eerste omspelingen van het beroemde ‘Brüder’-thema klinkt er goedkeuring door en zonder ver­dere schroom spelen de celli en bassen vervolgens de volledige melodie. Alten en fagot vallen in, de muziek wint aan kracht en statigheid.

Dan keert wederom de diaboliek van de beginmaten terug en grijpt de bassolist in: “O Freunde, nicht diese Töne!” In het koor en overige so­listen vindt hij zijn gelijkgestemden, en vanaf dit punt tot aan de slotmaat rest slechts vrome opwinding en uitzinnige vreugde. Een reeks variaties op het Brüder-thema begint met een humoristische mars, begeleid door triangel en grote trom. Na een dubbele fuga van het orkest barst het koor los in wat het hoogtepunt van het Brüder-thema zal blijken.

Een magische episode wordt door de mannen van het koor geïntrodu­ceerd: “Seid umschlungen, Millionen!” Op magische wijze wordt God ‘die boven het gesternte woont’ als in een visioen aangehaald. Na een zinde­rende fermate, waarin het voltallig ensemble ten hemel lijkt te stijgen, buitelen de thema’s in dubbelfuga’s en extreme tempowisselingen over elkaar heen, een extatische viering van de Vreugde. Na enkele inter­mezzo’s van het solistenkwartet wordt in de coda de roes overweldigend en heeft het orkest het laatste woord.

Floris Don

Tekst Ode an die Freude

Schlußchor der Neunten Symphonie Text Friedrich Schiller

O Freunde, nicht diese Töne! sondern laßt uns angenehmere anstimmen, und freudenvollere. O vrienden, niet deze klanken! Maar laten wij aangenamere aanheffen, en vreugdevollere.
Freude, schöner Götterfunken, Tochter aus Elysium! Vreugde, schitterende godenvonk, dochter uit Elysium!
Wir betreten feuertrunken, Himmlische, dein Heiligtum! Wij betreden met vurige hartstocht, hemels wezen, jouw heiligdom!
Deine Zauber binden wieder, was die Mode streng geteilt, Jouw toverkrachten verbinden weer wat gewoonte strikt verdeeld heeft,
Alle Menschen werden Brüder, wo dein sanfter Flügel weilt. Alle mensen worden broeders waar jouw zachte vleugel zich welft.
Wem der große Wurf gelungen, eines Freundes Freund zu sein, Wie geslaagd is in de grote onder­ne­ming om een vriend vriendschap te bewijzen,
Wer ein holdes Weib errungen, mische seinen Jubel ein! Wie een lieve vrouw veroverd heeft, laat die zijn gejuich mede laten opgaan!
Ja, wer auch nur eine Seele sein nennt auf dem Erdenrund! Ja, wie ook maar één sterveling de zijne kan noemen op de aardbol!
Und wer’s nie gekonnt, der stehle weinend sich aus diesem Bund! En wie dat nooit gekund heeft, laat die stilletjes wenend verdwijnen uit dit samenzijn!
Freude trinken alle Wesen an den Brüsten der Natur, Met vreugde laven alle schepsels zich aan de borst van de natuur,
Alle Guten, alle Bösen folgen ihrer Rosenspur. Alle goeden en alle slechten volgen in haar spoor van rozen1.
Küsse gab sie uns und Reben, einen Freund geprüft im Tod; Kussen gaf zij ons en wijn, een vriend die trouw bleef tot in de dood2;
Wollust ward dem Wurm gege­ben, und der Cherub steht vor Gott Lustbeleving is de worm gegeven3, en de Cherub staat voor God4.
Froh, wie seine Sonnen fliegen durch des Himmels prächt’gen Plan, Verheugd, zoals zijn zonnen zweven door het prachtige ontwerp van de hemel,
laufet, Brüder, eure Bahn, freudig, wie ein Held zum Siegen, laufet, Brüder, eure Bahn. doorloop zo, broeders, jullie pad; vreugdevol, zoals een held op weg naar de overwinning, doorloop zo, broeders, jullie pad.
Seid umschlungen, Millionen! Diesen Kuß der ganzen Welt! Laat je omarmen, miljoenen! Deze kus5 aan de hele wereld!
Brüder! Überm Sternenzelt muß ein lieber Vater wohnen. Broeders! Boven het sterrenuit­span­sel moet een lieve vader wonen.
Ihr stürzt nieder, Millionen? Ahnest du den Schöpfer, Welt? Vallen jullie neer6, miljoenen? Voel je de schepper, wereld?
Such’ihn überm Sternenzelt! Über Sternen muß er wohnen. Zoek hem boven het sterrenuitspan­sel! Boven de sterren moet hij wonen.

Vertaling: © Hansa Krijgsman


1 = houden zich bezig met vormen van liefde

2 = de ultieme vriendschap

3 De meest aardse vorm van liefde/vreugde

4 De meest hemelse vorm van liefde/vreugde

5 Deze kus geef ik, of geeft God

6 in aanbidding

VU-Kamerorkest home


View My Stats