VU-Kamerorkest home
Ludwig van Beethoven
Zesde Symfonie op. 68
“Elke vorm van toonschildering is in instrumentale muziek uit den boze. Ook zonder nadere toelichting moet duidelijk zijn wat ik bedoel. Wie ook maar iets van de natuur begrijpt, hoort ook zonder bijschriften wat je wilt zeggen” (Beethoven 1808).
Het beeld dat veel mensen bij Beethoven hebben is dat van een slecht geklede, zich niet aan de maatschappelijke conventies houdende, wereldvreemde man. Te zeggen dat hij maar een paar sociale vaardigheden bezat zou een understatement zijn. Hij kon gewoonweg niet goed omgaan met mensen, maar deze mensen zagen ook zelden waar hij goed in was. Zoals Beethoven het zelf al zei: “ik houd meer van een boom dan van een mens”. Beethoven voelde zich altijd het meest op zijn gemak als hij vakantie hield op het platteland, waar hij lange en eenzame wandelingen door de bossen en de velden maakte. Hij schreef aan een vriend hoe blij hij was zich tussen bomen, bloemen en rotsen te bevinden. “Niemand kan de natuur liefhebben zoals ik dat kan mijn slechte gehoor stoort me hier helemaal niet. In de natuur, lijkt elke boom met me te praten, zeggende: Heilig, Heilig!” Deze woorden kwamen van een man die zich buitengesloten voelde van de menselijke samenleving. Hoewel deze liefde voor de natuur terug te horen is in verschillende werken van Beethoven is geen stuk duidelijker in die geest geschreven dan de zesde symfonie.
Dit was zeker niet de eerste keer dat de natuur haar weg vond in de klassieke muziek. Velen voor Beethoven hadden zich in de muziek reeds bezig gehouden met pastorale elementen. Van vrij boerse tot verheven christelijke muzikale weergaven waren in die tijd bekend. Leopold Mozart componeerde een stuk met nagebootste geluiden van blaffende honden en Haydns Jaargetijden, van 1801, is gevuld met scnes vanuit het landleven.
Componisten tijdens de Barok verbeeldden vaker jachtscnes en vogelgeroep. Daar waar dze voorbeelden bekend mogen of kunnen zijn, is er een vermoedelijke invloed op Beethoven die weinig genoemd wordt. In 1784, adverteerde de uitgever Bossler voor twee pianotrio’s van Beethoven terwijl op dezelfde pagina reclame gemaakt werd voor een vijfdelige symfonie van Justin Heinrich Knecht, getiteld “Een muzikaal portret van de natuur.” Elk deel van die symfonie droeg een beschrijvende titel, zeer overeenkomstig de benamingen die Beethoven een 12tal jaren later voor zijn delen gebruikte. Daarnaast koos hij ook voor de ongewoonlijke vijf delen. Het is niet zeker of Beethoven op de hoogte was van dit werk van Knecht, misschien wel maar ook dan blijft het geheim van succesvol plagiaat dat je bekender moet zijn dan de bron. Toch, ondanks de wazige oorsprong van de titels, de muziek zelf is echt Beethoven.
Daarnaast was programmamuziek in die tijd erg populair vooral onder componisten uit Oostenrijk, Beieren, Bohemen en Hongarije. Toch laat Beethoven niet toe zijn “Pastorale” te rekenen tot programmamuziek. Hijzelf merkt op: “man überlässt es dem Zuhrer sich selbst die situationen auszufinden.”
De eerste aantekeningen voor deze symfonie dateren uit 1802, de uiteindelijke compositie werd in de zomers van 1807 en 1808 afgerond. Beethoven bracht deze maanden door in het plaatsje Heiligenstadt. Vandaag de dag een buitenwijk van Wenen maar toen een landelijk dorp. Een “groen” uitvluchtoord voor het hectische Wenen en een perfecte plaats voor Beethoven om te componeren. In Heiligenstadt, kwamen zijn gedachten tot rust. Behalve de “Pastorale” componeerde hij hier ook de vijfde symfonie, de cellosonate in A-groot en twee pianotrio’s (op.70). Beethoven produceerde zoveel muziek in die tijd dat hij er niet meer zeker van was welke symfonie hij het eerste af had. Uiteindelijk catalogiseerde hij de “Pastorale” als de vijfde en de c-klein symfonie als nummer zes. Dit werd later weer gecorrigeerd.
Teruggekeerd in Wenen, organiseerde Beethoven een galaconcert om de twee symfonien in première te laten gaan, samen met nog wat andere nieuwe werken. Het concert vond plaats in het “Theater an der Wien” op 22 december. Behalve de “Pastorale” waarmee het concert geopend werd stonden de volgende werken op het programma:
II Arie, gesungen von Dem. Killitzky.
III Hymne mit latein. Texte, im Kirchenstile geschrieben, mit Chor und Solos.
IV Klavier-Konzert von ihm selbst gespielt.
Zweite Abteilung
I Grosse Symphonie in C moll (No. 6)
II Heilig, mit latein. Texte, im Kirchenstile geschrieben, mit Chor und Solos.
III Fantasie auf dem Klavier allein.
IV Fantasie af dem Klavier, welche sich nach und nach mit Eintreten des Orchesters, und zeletzt mit Einfallen von Chören als Finale endet.
Vier uur muziek, nieuwe muziek voor luisteraars in die tijd. Het theater was onverwarmd, het orkest had weinig gerepeteerd en de sopraan soliste had bhneangst. Het geheel ontlokte een luisteraar het volgende commentaar: “Da haben wir denn auch in der bittersten Kälte von halb sieben bis halb elf ausgehalten, und die Erfahrung bewährt gefunden, da man auch des Guten und mehr noch, des Starken leicht zu viel haben kann.”
Eigenlijk was Beethoven van plan na dit concert Wenen te verlaten om een concertreis te maken naar Leipzig en misschien zelfs Londen. Wenen bracht hem weinig financile voorspoed en een reis zou zijn populariteit zeker ten goede komen. Daarnaast was het moeilijk om in Wenen je werken ten gehore te brengen. Beethoven moest zelf een zaal huren, de muzikanten regelen, de kaartjes drukken en de advertenties plaatsen.
Na dit concert zou er verandering in de situatie komen. Het dreigende afscheid van Beethoven verontruste vooral Marie Erdödy. Zij bewerkstelligde dat Gleichenstein, een goed voorziene vriend van Beethoven, drie jonge zeer gefortuneerde muziekliefhebbers interesseerde om Beethoven van een vast inkomen te voorzien. Deze, vorst Kinsky, vorst Lobkowitz en aartshertog Rudolf van Hamburg, stelde een document samen waarin ze hem een jaarinkomen toezeggen van 4000 Fl. Aan o.a. Prins Lobkowitz draagt hij zijn zesde symfonie op. Deze overeenkomst verlichtte Beethoven van alle financile kopzorgen en deed hem besluiten in Wenen te blijven.
De titels van elk van de 5 delen geven een duidelijk beeld over wat de componist in zijn gedachten moet hebben gehad. Om de luisteraar een beetje te helpen, in deze tijd waar de pastorale traditie misschien wat meer in nevelen is gehuld volgt hier toch een korte toelichting op de symfonie. Temeer daar de Pastorale zich laat lezen als een verhaal.
Het eerste deel; “Angenehme Empfindungen, welche bey der Ankunft auf dem Lande im Menschen erwachen”, verbeeld de opwindende gevoelens die de mensen hebben bij aankomst op het platteland. In tegenstelling tot veel van zijn andere symfonin begint deze zeer kalm. Na de eerste 4 maten valt er al een stilte. Het deel schetst een idyllische sfeer die steeds terugkomt in het stuk. De beginmelodie zal nog vele malen terug komen in het eerste deel.
Het tweede deel; “Scene am Bach”, brengt de luisteraar helemaal in de natuur. Een in dit deel steeds terugkerende melodie is het geluid van het kabbelen van een beekje. In het begin gespeeld door de tweede violen, de altviolen en de cello’s. Later wordt dit motief ook door andere instrumenten overgenomen. De beek is in dit geval een beek die vaak bezocht wordt door kwartels, koekoeken en nachtegalen, wiens stemmen worden weergegeven door de houtblazers.
In het derde deel; “Lustiges Beysammenseyn der Landleute” richt Beethoven zijn aandacht meer op het menselijke aandeel. Het vrolijk bijeenkomen van de boeren leidt tot een dorpsdans
Een dorpsfanfare brengt de mensen aan het dansen. Van toonschildering is hier geen sprake meer. Maar plots valt de dans stil door aankomend onweer; “Donner und Sturm” (deel 4) en wanneer de storm is gaan liggen slaat ook de gedrukte sfeer om in een vrolijk zingen van herders.
In het laatste deel: “Wohltätige, mit Dank an die Gottheit verbundene Gefhüle nach dem Sturm.” keert de rust van het eerste deel weer terug. De laatste drie delen worden achter elkaar gespeeld zonder pauze ertussen.
René van der Weerden