VU-Kamerorkest home
Lowell Dijkstra
“The Race Day”
Om zijn tweede lustrum te vieren heeft het VU-Kamerorkest een nieuw stuk laten componeren door Lowell Dijkstra. Zijn naam kwam tevoorschijn na een werkbezoek aan Donemus van dirigent Daan Admiraal en een aantal leden van de programmacommissie van het VU-Kamerorkest. Daar beluisterden en bekeken zij composities van tientallen nu actieve Nederlandse componisten. Dijkstra schrijft direct aansprekende muziek met een sterk programmatische inhoud. Drie leden van het VU-Kamerorkest hadden een gesprek met de componist over zijn werk. Hieronder vindt u de weergave van dit gesprek.
Wat voor soort stuk is ‘The Race Day’?
Tot nu toe waren mijn composities veelal zwaar op de hand. Eigenlijk wilde ik al zoveel jaar een monter, tintelend stuk schrijven, en een lustrum is toch een feestelijke aangelegenheid. Ik vind dat dat aardig gelukt is! Een ander, expliciet streven was het maken van een stuk dat heel veel speelplezier oplevert bij de orkestleden - gelukkig merkte ik tijdens jullie repetitie dat er met heel veel plezier, flair en inzet gespeeld wordt. Bovendien, en dat hangt misschien wel samen met het vorige, wilde ik een stuk maken dat nu eens niet technisch echt supermoeilijk is, en dat is ook goed gelukt. [de gesprekspartners uit het VU-Kamerorkest beamen dit weliswaar, maar het is toch echt geen wissewasje geworden; de hobo heeft een behoorlijk lastige solo, en ook de anderen moeten hier en daar flink studeren op de noten]. Overigens zit er in “The Race Day” nog een noviteit: een heuse Ierse jig, die gespeeld moet worden zoals de Ierse fiddlers doen: de Chieftains bijvoorbeeld, of in de Ierse pubs. Een experiment, misschien vindt het publiek het leuk, misschien niet, en misschien vind ik het zelf achteraf helemaal niet leuk.
Wat voor soort componist ben jij?
Ik schrijf niet “conceptualistisch”, zoals zoveel
componisten van na de Tweede Wereldoorlog, zeg maar de “Darmstadter
School” [red: soms wordt hun muziek in de volksmond
oneerbiedig omschreven als “piep-knars-muziek”] maar ik
probeer helemaal te werken vanuit mijn gevoel. Natuurlijk moet de
ambachtelijke kant van het componeervak niet tekort komen, maar ik
schrijf niet (meer) hypergeconstrueerd. Ik denk dat de hele
Darmstadt-beweging voor niets is geweest, dat het over twintig of
vijftig of honderd jaar helemaal vergeten is, of als een
buitenissigheid gezien wordt. Ik vind dat ik het dan maar moet
zeggen: die “conceptualisten” zijn zo vaak broddelaars, van
die stukken dat een koor amorf aan het brommen is, en dan zie je het
publiek beginnen met draaien en schuifelen... De goede componisten
natuurlijk niet te na gesproken, Ligeti is een geniale componist
bijvoorbeeld, maar ook weer een Einzelgänger.
Een jaar of tien terug ben ik me bewust geworden van een ommekeer in
mijn componeren. Ik wil niet meer in isolatie van maatschappij en
publiek werken, zoals de “conceptualisten”. Muziek moet
mooi zijn, verstaan worden door degenen die het spelen
en degenen die het horen. Vroeger durfde ik niet herkenbaars te
schrijven. Nu -ik ben ook vijftig- durf ik meer dingen te doen. Ik
schrijf gewoon die Ierse Jig in “The Race Day”.
Je hebt bij Tristan Keuris gestudeerd. Dat is in je muziek te horen, bijvoorbeeld in ‘Alterations’ (1992). Heb je nog andere voorbeelden?
Stravinsky, en Sibelius is een jeugdliefde. Beiden hadden interesse in de volksmuziek, maar verder zijn het wel uitersten. Sibelius, en ook Elgar die ik bewonder, zijn grote Romantici, tegenover Stravinsky die zo onderkoeld is. Zelf ben ik helemaal geen Romanticus, althans niet meer; dat zoeken naar wat je maar niet kan bereiken, dat heb ik niet zo?Ik ben ook opgegroeid met popmuziek, the Stones, Beatles, Pink Floyd, Don McLean. Ik maak nog steeds af en toe een popsong. Tja, die zijn veel te ingewikkeld om het grote publiek te dienen, dus het komt nooit naar buiten. Maar ik kan het wel, en veel componisten zie ik dat niet doen. Verder heb ik weinig met anderen. Ik luister de laatste jaren veel naar vocale Renaissancemuziek. En ik hoor wel verwantschappen met Henri Dutilleux, de latere werken van John Adams, Penderecki.
Hoe ga je te werk? Componeer je aan de piano?
Ja, ik heb gitaar gestudeerd, maar daar doe ik weinig meer mee. Ik begin meestal meteen idee, een paar harmonische akkoorden, klanken, zoals dat herhaalde cadensmotief in “The Race Day”.
Gebruik je speciale technieken? Wat is je notenmateriaal?
Ik weet niet wat voor techniek ik gebruik. Vroeger, toen ik bij Tristan Keuris studeerde, was ik wel meer met techniek bezig. Dat zie je terug in “Alterations”. En ik schrijf voor mezelf nog weleens een serieel stuk, maar dat komt niet naar buiten. Ik ben niet op zoek naar experiment.
Ik vind de vorm erg belangrijk. Luisteraars moeten aan het einde van een stuk toch het idee hebben, dat ze naar hetzelfde stuk zitten te luisteren als bij het begin. Maar iederstuk heeft bij mij een andere vorm. Herhaling is een belangrijk element om eenheid te geven. Dat zie je ook in “The Race Day”.
Ik word steeds tonaler. Tonaal in de zin van zwaartekracht, die aantrekt naar bepaalde tonen. Je zou kunnen zeggen dat “The Race Day” in D-groot staat. D is een mooie noot. Die klinkt ook goed op alle instrumenten.
Waar komt je inspiratie vandaan?
Mijn inspiratie blijkt eigenlijk steeds vaker buitenmuzikaal te zijn.
Bijvoorbeeld, als ik een gedicht lees (ik lees graag ’s avonds, als het
hele gezin al op bed ligt), dan kan ik daar de muziek al bij horen. De
inspiratie voor “The Race Day” is ook buitenmuzikaal: voor de eerste
maal is het een schilderij,
“Galway
Races”
van Jack B. Yeats, de broer van de Ierse dichter W.B. Yeats.
Je ziet Ierse kerels op van die knollen, aan het begin (of na afloop van?) de
paardenrace, erg evocatief. Ik vind W.B. Yeats overigens de grootste dichter
van de 20e eeuw. Hij heeft trouwens ook een gedicht over paardenraces gemaakt,
dat verder niets met de compositie van doen heeft: “At Galway
Races” - buitenissig, net zoals de man zelf: hij heeft bijvoorbeeld
apenklieren bij zichzelf laten implanteren om creatiever te worden! En het
werkte ook nog - je vraagt je af hoe dat kan.
Ik heb de laatste jaren een
groeiende fascinatie voor de Keltische cultuur. Dat begon met een
opdrachtcompositie waar een koor Ierse religieuze teksten moest
zingen, die ik gevonden had in een boek van Alex Carmichael. Ik heb
daarvoor ook een cursus Gaelic gedaan, en afgelopen zomer ben ik naar
Ierland op vakantie geweest. Daar heb ik ook paardenraces bezocht
natuurlijk, en gegokt. Een hele belevenis, hoe het publiek meeleeft
met de spanning van de race. In The Race Day zal je trouwens
geen hoefgetrappel aantreffen. Ik heb wel beelden bij het stuk, maar
daar loop ik niet mee te koop. Iedereen moet zelf maar weten wat hij
er bij wil verzinnen, of dat hij er helemaal geen beelden bij wil
bedenken natuurlijk.
Heb je nog grote wensen, een boodschap, doelen voor ogen?
Ach, ik vind het nogal
burgerlijk om iets te bereiken, ergens te komen. Ik heb ook geen
hoogdravende boodschap. Het is prima wanneer de musici met plezier
mijn stukken uitvoeren. Dat bewonder ik ook zo in Elgar. Niet alleen zijn
muziek, maar ook zijn houding. Hij maakte muziek met de mensen voor
ogen, wat mensen willen spelen en horen.
Veel ideeën worden ook door anderen aangedragen. Ik werk
bijvoorbeeld nog aan twee operaprojecten; ik voel mij erg
aangetrokken tot het theater. En ik werk aan een grote koorcyclus.
Dus ik heb zo wel mijn ambities...
Marien Abspoel, Roos Al, Rutger Hofman
At Galway Races
There where the course is,
Delight makes all of the one mind,
The riders upon the galloping horses,
The crowd that closes in behind:
We, too, had good attendance once,
Hearers and hearteners of the work;
Aye, horsemen for companions,
Before the merchant and the clerk
Breathed on the world with timid breath.
Sing on: sometime, and at some new moon,
We’ll learn that sleeping is not death,
Hearing the whole earth change its tune,
Its flesh being wild, and it again
Crying aloud as the race course is,
And we find hearteners among men
That ride upon horses.
William Butler Yeats (1865-1939)
Lowell Dijkstra schreef zelf nog over ‘The Race Day’:
Enige tijd geleden werd ik getroffen door schilderijen en tekeningen van Jack Yeats ( de broer van de Ierse dichter William Butler Yeats). Met name diens voorstellingen over paarden en paardenraces zijn een lust voor het oog. Een heel mooi voorbeeld vind ik wel zijn “Galway Races”.In Ierland heb ik de afgelopen zomer het genoegen gehad de ‘Sligo Horse races’ te bezoeken en indrukken daarvan heb ik in “The Race Day” verwerkt. Natuurlijk heb ik mij bij het componeren beelden hiervan voorgesteld. wat de luisteraar er in hoort is echter geheel zijn of haar eigen fantasie. Een door mij van tevoren aangegeven beeld zou de luisteraar alleen maar in de weg zitten. Eén fragment zal echter zonder twijfel moeiteloos herkend worden.
Naar de aard van de opdracht, is het een stuk geworden dat, in één doorlopende beweging, levendig en ‘goed gemutst’ is.