VU-Kamerorkest home
Paul Hindemith
Der Schwanendreher
Konzert nach alten Volksliedern für Bratsche und kleines Orchester
1. Zwischen Berg und tiefem Tal - Langsam
2. Nun laube, Lindlein laube - sehr ruhig; Der Gutzgauch auf dem Zaune sass
3. Variationen: Seid Ihr nicht der Schwanendreher - mässig ig schnell
In 1935 schreef Paul Hindemith zijn derde altvioolconcert Der Schwanendreher. Het kamerorkest bestaat uit blazers (2 fluiten, hobo, 2 klarinetten, 2 fagotten, 3 hoorns, trompet en trombone), lage strijkers (celli en bassen), harp en pauken. Op 14 november van dat jaar vond de première plaats in Amsterdam met het Concertgebouw Orkest onder leiding van Willem Mengelberg met Hindemith, die een vooraanstaand altist was, als solist.
De 3 delen zijn gecomponeerd in de volgorde 3-2-1. Hindemith gebruikt in zijn concert vier oude Duitse volksliedjes. Het derde deel is een set variaties op het lied Seid ihr nicht der Schwanendreher, waar het stuk ook zijn intrigerende titel aan ontleent.
Voor in de partituur staat de volgende ‘Programm-Notiz’:
Ein Spielmann kommt in frohe Gesellschaft und breitet aus, was er aus der
Ferne mitgebracht hat: ernste und heitere Lieder, zum Schluß
ein Tanzstück. Nach Einfall und Vermögen erweitert und
verziert er als rechter Musikant die weisen, präludiert und
phantasiert.
Dieses mittelalterliche Bild war die Vorlage für die Komposition.
Deze toelichting suggereert dat de speelman in vrolijk gezelschap is, maar verhult de ware omstandigheden. Sedert december 1934, toen Goebbels hem voor het eerst in het openbaar attakkeerde, werd Hindemith het leven in het ‘Dritte Reich’ in toenemende mate onmogelijk gemaakt. In het licht van zijn precaire politieke situatie, die in 1940 leidde tot zijn emigratie naar de VS, zijn de liedteksten veelbetekenend.
Deel 1 is gebaseerd op een treurig afscheidslied. Het wordt in de langzame inleiding met treurmarskarakter door de koperblazers gespeeld en keert in het snelle vervolgdeel terug:
| Zwischen Berg und tiefem Tal, | Tussen berg en ’t diepe dal |
| da liegt ein’ freihe Straßen: | daar ligt een vrije baan: |
| wer seinen Buhlen haben mag | wie zijn lief niet houden mag |
| der muß ihn fahren lassen. | die moet hem laten gaan. |
In deel 2 (ABA) spelen 2 volksliederen een rol. In de langzame inleiding (quasi Bach, koraalbewerking) wederom een afscheidslied:
| Nun laube, Lindlein, laube! | Lindeboompje, ontluik! |
| nicht länger ich’s ertrag’: | niet langer kan ik ’t verdragen: |
| ich hab’ mein Lieb’ verloren, | ik heb m’n lief verloren, |
| hab’ gar ein’ traurig’ Tag. | hoe treurig zijn mijn dagen. |
Daarop volgt een fugatisch snel deel gebaseerd op het lied:
| Der Gutzgauch auf dem Zaune saß, | De koekoek op de schutting zat, |
| der Gutgauch auf dem Zaune saß, | de koekoek op de schutting zat, |
| es regnete sehr, und er ward naß, | ’t regende hard, en hij werd nat, |
| es regnete sehr, und er ward naß. | ’t regende hard, en hij werd nat. |
De koekoek duidde overigens in de oude volkspoezie iets gevaarlijks aan wat gemeden moest worden.
Aan het eind van het snelle deel keert plotseling het lied van de lindeboom terug in het koper. De solo-alt (Hindemith?) speelt alleen de tweede en vierde zin: nicht länger ich’s ertrag’en: hab’ gar ein’ traurig’ Tag. In de langzame epiloog (A) word het lied van de lindeboom weer als koraalbewerking gebruikt.
Het slotdeel is een bevrijdende finale. Het lied Seid ihr nicht der Schwanendreher wordt in een tiental variaties virtuoos en uitbundig verwerkt.
| Seid ihr nicht der Schwanendreher? | Bent u niet de zwanenhoeder? |
| Seid ihr nicht der selbig’ Mann, | Bent u niet die man, |
| seid ihr nicht der selbig’ Mann? | bent u niet die man? |
| So drehet mir den Schwan, | Hoedt voor mij die zwaan, |
| so hab’ ich glauben dran; | dan geloof ik er wel aan; |
| und dreht ihr mir den Schwanen nit, | en hoedt u de zwanen niet, |
| seid ihr kein Schwanendreher nit, | dan bent u de zwanenhoeder niet, |
| seid ihr kein Schwanendreher nit; | dan bent u de zwanenhoeder niet; |
| dreht mir den Schwanen, | hoedt de zwanen, |
| dreht mir den Schwanen. | hoedt de zwanen. |