VU-Kamerorkest home
Arthur Honegger (1892-1955)
Concertino voor piano en orkest
1. Allegro molto moderato -
2. Larghetto sostenuto -
3. Allegro
De naam Honegger is onlosmakelijk verbonden geraakt met de beroemde Groupe des Six, een groep componisten waartoe ook onder andere Poulenc en Milhaud behoorden. Toch is dit in hoge mate onterecht, want Honegger heeft zich er eigenlijk nooit echt thuisgevoeld. Het belangrijkste uitgangspunt was “Être simple”, waarmee de groep zich in feite afzette tegen alle stromingen van hun tijd. Al deze stromingen waren -elk op zijn eigen manier- volgens de Six op allerlei fronten veel te ingewikkeld bezig. Dat ze de zwelgende Romantiek van Wagner en Franck afwezen ligt voor de hand, maar ook Debussy en Stravinsky moesten het ontgelden.
Honegger was in dit gezelschap een vreemde eend in de bijt. Dit eenvoudig-doen was gewoon niet aan hem besteed. Zijn grote kracht ligt in eerste instantie niet in de eenvoud, of in de luchtige spot waar zijn Groupe-genoten zo dol op waren. Zijn derde symfonie bijvoorbeeld, die in maart 1995 bij het VU-Orkest op het programma staat, is uitgesproken dramatisch en serieus van aard en staat wel heel ver af van de idealen van de Groupe des Six. Met het Concertino slaat Honegger echter voor een keer een geheel andere toon aan, en vindt al of niet gewild aansluiting bij de andere vijf.
Dat Honegger geenszins van plan was een concert te schrijven in de traditie van het Romantische Pianoconcert wordt in de eerste twee maten van het concert al duidelijk: na een syncopische eerste maat van het orkest antwoordt de piano met een uitermate eenvoudig (bijna pesterig) melodietje. Een klap in het gezicht van de pianovirtuoos-met-geldingsdrang die zich had verheugd op een concert met veel vertoon, cadensen en hartsmeltende solo’s. Honegger lijkt er eerder op uit om het fenomeen virtuoos onderuit te halen.
Het zonder onderbreking volgende tweede deel lijkt toch even die hartbrekende cantilene op te leveren voor de pianist, die zich in dit gevoel gesteund weet door onder andere fluit, klarinet en vioolsolo. Maar ook hier heeft Honegger andere plannen: door het toevoegen van enkele merkwaardige geluidseffekten (chromatische toonladders omhoog en omlaag, trompetakkoordjes) krijgt de pastorale sfeer van de pianosolo een nogal bizarre ondertoon.
Direct hierop volgt het derde deel, dat het meest flirt met de jazzmuziek. Misschien dat hier sprake is van beïnvloeding door Milhaud die net een jaar eerder zijn jazzy ballet La Création du Monde had afgeleverd. Het deel valt uiteen in twee gedeeltes. Het eerste gedeelte begint (na een korte orkestinleiding) in de piano die een bluesachtige melodie exposeert. Het tweede gedeelte wordt neergezet door het koper, waarna even later de rest van het orkest en de piano invallen. Dit tweede thema lijkt zo uit een big band te zijn weggelopen met z’n syncopische ritmiek gedragen door een solide baslijn. In de loop van de tijd wordt de blues hier weer tegenaan “geplakt”, zodat het geheel steeds complexer wordt. Naar het einde toe wordt een en ander juist weer uitgedund en sterft de muziek langzaam uit.
Hendrik-Jan Bosma