VU-Kamerorkest home
Frank Martin (1890-1974)
“6 Monologe aus Jedermann”
1. Ist alls zu End das Freudenmahl
2. Ach Gott, wie graust mir vor dem Tod
3. Ist als wenn eins gerufen hätt
4. So wollt ich ganz zernichtet sein
5. Ja! Ich glaub: solches hat er vollbracht
6. O ewiger Gott! O göttliches Gesicht!
Frank Martin werd in 1890 geboren in Genève. In 1946 kwam Martin met zijn tweede vrouw naar Nederland en hij overleed op 21 november 1974 in Naarden. De concerten van het VU-Kamerorkest vallen precies samen met de 25ste sterfdag van Martin; een goede reden om hem te eren met een van zijn bekendste werken: “Sechs Monologe aus Jedermann” voor Bariton en orkest.
Frank Martin voelde zich als Frans sprekende Zwitser aangetrokken tot de franse muziekcultuur. Omdat hij zoon van een calvinistische dominee was, behoorde Bach ook tot zijn achtergrond. Aanvankelijk componeerde Frank Martin in een hoogromantische stijl, geïnspireerd door Fauré en Franck. In de 30er jaren bestudeerde Martin de twaalftoonstechniek van Schoenberg en combineerde deze met modale harmonieën waarin de Franse componisten Debussy en Ravel hem tot voorbeeld dienden. In de karakteristieke danspassages toont Martin zich geïnspireerd door de Jazz. Martin ontwikkelde een zeer verfijnde stijl met zeer eigen harmonie en ritmiek. Een open kwint in de baslijn geeft een tonale richting aan het chromatische weefsel, en is als een handtekening typerend voor Martins idioom. In de Tristan-legende “Le Vin Herbé” uit 1938-41 komt zijn eigen stijl voor het eerst volledig tot uitdrukking.
Frank Martin schreef een groot en veelzijdig oeuvre. Vele vocale en instrumentale werken hebben een religieuze thematiek of inspiratie. Ook de laatste twee liederen van “Jedermann” hebben religieuze verwijzingen, maar deze tonen meer de expressie van een middeleeuws wagenspel dan een persoonlijke getuigenis, zoals we dat in andere religieuze werken van Martin vinden zoals de mis voor dubbelkoor, de oratoria “Golgotha” en “In Terrra Pax”.
Martin schreef ook een zestal ballades voor solo-instrumenten en orkest. Het zijn contrastrijke stukken waarin verhalende en rhapsodische danspassages elkaar afwisselen. Ook voor “Jedermann” zou de term “Ballade” niet misstaan, evenmin als voor “Der Cornet” voor alt en orkest op teksten van Rilke. Het verhaal wordt door de zanger gedeclameerd. De zanglijn is zeer chromatisch, en krijgt weinig steun uit de orkestbegeleiding. Dit draagt zeker bij aan het gevoel van vervreemding dat tevens besloten ligt in de tekst.
De tekst van de zes monologen is afkomstig uit het toneelstuk “Jedermann” van Hugo von Hofmannsthal (1884-1929), geschreven tussen 1903 en 1911 naar het beroemde middeleeuwse mysteriespel dat wellicht in het Nederlandse “Elckerlyc” zijn eerste weergave heeft gevonden.
God zendt de Dood als gezant der gerechtigheid naar Jedermann, die een rijke ongelovige is. Wanneer de Dood arriveert midden in een groot banket, is Jedermann plotseling alleen. Alleen het Bewijs van Zijn Daden, een kreupele is bereid om zijn zuster Geloof te sturen om hem te begeleiden op zijn reis zonder terugweg.
Hofmannsthal was een Oostenrijkse dichter en schrijver van Spaans-joodse afkomst, die beroemd is geworden door zijn samenwerking met Richard Strauss in een zestal operas waaronder Elektra en Der Rosenkavalier. Hofmannsthal schreef “Jedermann” als toneelstuk. Martin heeft lang het idee gehad om van “Jedermann” een complete opera of toneelmuziek te maken. De zes monologen zouden daarin hun plaats krijgen. De opera is er nooit gekomen.
Hofmannsthal richtte na de eerste wereldoorlog met Max Reinhardt de Salzburger Festspiele op. Daar werden vele van zijn toneelstukken opgevoerd, en het is een traditie geworden om met “Jedermann” de Festspiele te openen. Hofmannsthal maakt in “Jedermann” gebruik van archaische of dialectische woordkeuze, waarschijnlijk om daarmee de middeleeuwse sfeer op te roepen en een volkse toon te treffen (Jedermann is immers als ieder van ons).
Hofmannsthal schreef in de Eerste Wereldoorlog politieke essays. Van hem is ook het citaat: “Nicht die Worte stehen in der Gewalt der Menschen, sondern die Menschen in der Gewalt der Worte”. Genoeg redenen voor de Nazi’s om Hofmannsthal’s werken te verbieden. Martins Jedermann is in 1943 in kleine kring in première gebracht in het neutrale Zwitserland door de bariton Max Christmann en Martin aan de piano. Pas in 1949 heeft Martin de orkestratie gemaakt en is het werk bekend geworden over de wereld.
De gedichten zijn somber, duister en vol symboliek. Martin plaatst zich in een lange traditie van componisten die een wereldlijke liederencyclus schreven op duistere, tragische teksten. Schuberts Winterreise is een beroemd voorbeeld. Moessorgsky, Mahler, Vaughan-Williams en Sjostakowitsj zijn andere illustere namen.
Martin schreef: “Gelukkig is het mij gelukt om uit de Jedermann zes monologen te selecteren die in zichzelf voldoende betekenisvol waren en op een treffende manier de psychologische en geestelijke ontwikkeling van de hoofdpersoon weergeven, van zijn monsterlijke doodsangst tot zijn volledige, uit zijn vertrouwen op verlossing geboren bereidheid, langs de stapsgewijze loslaten van de wereldlijke bezit, en zijn door angst en lijden getekende oprijzen naar de wereld van de geesten. (...) De dichter heeft mij geleid met het voorbeeld van eenvoud en bescheidenheid. In zijn achtvoetige verzen lukt het de dichter de naakte doodsangst evengoed uitdrukking te geven als de leer van opstanding door de liefde. ”
Martins muziek is zeer theatraal, op momenten grotesk, bij vlagen filmisch beeldend. In de pianopartituur staat bij de hoornsolo van de derde monoloog de tekst geschreven: “Jedermann! Jedermann! Hörst du nicht?” De verbinding tussen muziek en de archaïsche tekst komt bijna surrealistisch over. Bijna, want de compositiedatum, midden in de Tweede Wereldoorlog, ontleent het symbolische gevecht met de dood allerminst surrealistische associaties. Het is wellicht niet zo bedoeld, maar je kunt de associatie nauwelijks vermijden: “Wenn der höllische Feind sich drängt herbei.” Hierin vinden we wellicht ook een aanwijzing voor de nadruk die Martin in de laatste twee monologen legt op het religieuze gevoel van verlossing. De expressionistische vertelling in de eerste monologen en de getuigenis in de laatste verklanken een intentionele stijlbreuk. Beide even indringend vertolkt. De historische gebeurtenissen tussen Hofmannsthals stuk en Martins Monologe hebben daarbij zeker geen neutrale rol gespeeld.
Marien Abspoel.
Tekst
6 Monologe aus Jedermann (Hugo von Hofmannsthal, 1911)
1.
Ist alls zu End das Freudenmahl
Und alle fort aus meinem Saal?
Bleibt mir keine andere Hilfe dann,
Bin ich denn ein verlorner Mann?
Und ganz alleinig in der Welt,
Ist es schon so um mich bestellt,
Hat mich Der schon dazu gemacht,
Ganz nackend und ohn alle Macht,
Als läg ich schon in meinen Grab,
Wo ich doch mein warm Blut noch hab
und Knecht mir noch gehorsam sein
Und Häuser viel und Schätze mein,
Auf! schlägt die Feuerglocken drein!
Ihr Knecht nit lungert in dem Haus,
Kommt allesamt zu mir heraus!
Ich muss schnell eine Reise tun
Und das zu Fuss und nit zu Wagen,
Gesamte Knecht, die sollen mit
Und meine grosse Geldtruhen,
Die sollen sie herbeitragen.
Die Reis wird wie ein Kriegszug scharf
Dass ich der Schätze sehr bedarf.
2.
Ach Gott, wie graust mir vor dem Tod,
Der Angstschweiss bricht mir aus vor Not;
Kann der die Seel im Leib uns morden?
Was ist denn jählings aus mir worden?
Hab immer doch in Bösen Stunden
Mir irgend einen Trost ausgfunden,
War nie verlassen ganz und gar,
Nie kein erbärmlich armer Narr.
War immer wo doch noch ein Halt
Und habs gewendet mit Gewalt.
Sind all denn meine Kräft dahin
Und alls verworren schon mein Sinn,
Dass ich kaum mehr besinnen kann,
Wer bin ich denn: der Jedermann,
Der reiche Jedermann allzeit.
Das ist mein Hand, das ist mein Kleid
Und was da steht auf diesem Platz,
Das ist mein Geld, das ist mein Schatz,
Durch den ich jederzeit mit Macht
Hab alles spielend vor mich bracht.
Nun wird mir wohl, dass ich den seh
Recht bei der Hand in meiner Näh.
Wenn ich bei dem verharren kann,
Geht mich kein Graus und Ängsten an.
Weh aber, ich muss ja dorthin,
Das kommt mir jählings in den Sinn.
Der Bot war da, die Ladung ist beschehn.
Nun heisst es auf und dorthin gehn.
Nit ohne dich, du musst mit mir,
Lass dich um alles nit hinter mir.
Du musst jetzt in ein andres Haus
Drum auf mit dir und schnell heraus!
3.
Ist als wenn eins gerufen hätt,
Die Stimme war schwach,
und doch recht klar,
Hilf Gott dass es nit meine Mutter war.
Ist gar ein alt, gebrechlich Weib,
Möcht dass der Anblick erspart ihr bleib.
O nur soviel erbarm dich mein,
Lass das nit meine Mutter sein!
4.
So wollt ich ganz zernichtet sein,
Wie an dem ganzen Wesen mein
Nit eine Fiber jetzt nit schreit
Vor tiefer Reu und wildem Leid.
Zurück! und kann nit!
Noch einmal!
Und kommt nit wieder!
Graus und Qual!
Hie wird kein zweites Mahl gelebt!
Nun weiss die aufgerissne Brust,
Als sie es nie zuvor gewusst,
Was dieses Wort bedeuten mag:
Lieg hin und stirb, hie ist dein Tag!
5.
Ja! ich glaub: solches hat er vollbracht,
Des Vaters Zorn zunicht gemacht,
Der Menschheit ewig Heil erworben
Und ist dafür am Kreuz verstorben.
Doch weiss ich, solches kommt zugut,
Nur dem, der heilig ist und gut:
Durch gute Werk und Frommheit eben
Erkauft er sich ewig Leben.
Da sieh, so steht um meine Werk:
Von Sünden hab ich einen Berg
So überschwer auf mich geladen,
Dass mich Gott gar nit kann begnaden,
Als er der Höchstgerechte ist.
6.
O ewiger Gott! O göttliches Gesicht!
O rechter Weg, o himmlisches Licht!
Hier schrei ich zu dir in letzter Stund,
Ein Klageruf geht aus meinem Mund.
O mein Erlöser, den Schöpfer erbitt,
Dass er beim Ende mir gnädig sei,
Wenn der höllische Feind sich drängt herbei,
Und der Tod mir grausam die Kehle zuschnürt,
Dass er meine Seel dann hinaufführt.
Und, Heiland, mach durch deine Führbitt,
Dass ich zu seiner Rechten hintritt,
In seine Glorie mit ihm zu gehn.
Lass dir dies mein Gebet anstehn,
Um Willen, dass du am Kreuz bist gestorben
Und hast all unsre Seele erworben.