VU-Kamerorkest home

Bohuslav Martinu (1890-1959)

Sinfonietta "La Jolla"



1. Poco Allegro
2. Largo - Andante Moderato
3. Allegro

Foto van Martinu

Bohuslav Martinu werd in 1890 geboren in de klokkentoren van de St. Jacobskerk van het Boheemse plaatsje Policka. Zijn vader was torenwachter en de jonge Martinu groeide op in een eenvoudige omgeving met volksmuziek en liefde voor zijn vaderland, in het bijzonder Moravië. Volgens een anekdote was de jonge Bohuslav lang en mager en moest hij vaak de 193 treden van de kerktrap op- en afgedragen worden. Zo zou hij de eerste twaalf jaar van zijn leven het Tsjechische land in vogelvlucht hebben bezien. Dit bekende verhaal over de klokkentoren zou triviaal of zelfs banaal zijn als het niet tegelijkertijd iets zegt over Martinus muziek. In een tijd dat veel van zijn tijdgenoten zich richten op de avantgarde en atonale muziek, blijft de stijl van Martinu geënt op consonante klanken. En het muzikale materiaal is vaak thematisch verwant met de drie- of vijftonige klokmelodieën, die overigens ook de volksmuziek uit vele Balkanlanden kenmerken.

St. Jacobskerk in Policka waar Martinu geboren is

De St. Jacobskerk in Policka waar Martinu geboren is.

Martinu stond op het Praagse Conservatorium bekend als dilettant, en na een mislukt examen vertrok Martinu naar Parijs, waar hij bij Albert Roussel ging studeren. Hij ontwikkelde zich in de periode van 1923 tot 1940 tot de meest prominente vertegenwoordiger van de zogenaamde Parijse School, een groep buitenlandse componisten die zich in Parijs verzamelde. Hij voelde zich zeer aangetrokken tot Franse kunst en muziek, vooral Debussy. Martinu noemde daarnaast de zestiende-eeuwse Engelse Madrigalen en het Concerto Grosso uit de Italiaanse Barok als inspiratiebron van zijn muzikale taal. Hij maakte in Parijs ook kennis met jazzmuziek die in de Parijse salons in de jaren dertig zeer in trek was. Martinu absorbeerde al deze invloeden en schreef ook een serie jazzpreludes voor piano.

Martinu laat een indrukwekkend oeuvre na van bijna vierhonderd werken, variërend van instrumentale solostukken, concerten, opera’s, balletten en koorwerken.

Voor het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog zag Martinu zich genoodzaakt uit te wijken naar Amerika. Daar schreef hij een indrukwekkende reeks van vijf symfonieën in de periode van 1942-1946, daartoe vooral gestimuleerd door Koussevitsky (een zesde volgde in 1953). Ernest Ansermet noemde Martinu “de grote symfonicus van zijn tijd”.

Uit die tijd stamt ook de Sinfonietta La Jolla, gecomponeerd in 1950 voor de Musical Arts Society van de kleine stad La Jolla in Californië. De bezetting is voor kamerorkest met obbligato piano, maar de piano krijgt niet een solistische rol als bij een soloconcert. De opzet is meer verwant aan het Concerto Grosso uit de barok. Er zijn drie delen in de traditionele verdeling snel - langzaam - snel, maar ook in de snelle delen is er ruimte voor lyrische melodieën, die op de voor Martinu kenmerkende manier worden vervlochten met vitale ritmiek. Martinu zei in een interview: “Mijn muziek is ritmisch omdat ik een Tsjech ben. De nationale muziek van Tsjechi is ritme; sterk en beweeglijk ritme”. Het eerste deel (Poco allegro) begint met energiek beierende klokken zoals je die alleen met een Slavisch paasfeest associeert. Het lyrische tweede thema wordt door de violen geïntroduceerd. Hierbij wordt vaak naar verwantschap met traditionele Tsjechische volksmuziek verwezen, maar misschien is het zeker in de strijkersgebruik wel meer een typerende stijlvorm voor Martinu. De melodie lijkt te beginnen als een pentatonisch lied, maar verschuift zowel melodisch als harmonisch uit zijn kader en belandt in de herkenbare polytonale idioom van de componist. Pas wanneer het tutti orkest en de trompet het thema later herhalen, is het echt pentatonisch geworden, en is de overeenkomst met klokkenluiden weer evident. Dat is ook het melodietje dat het meest in geheugen blijft hangen.

thema van eerste en tweede violen

Het middendeel (Largo) begint heel bezonken, maar krijgt al gauw meer kleur vanuit Tsjechische inspiratie. Als intermezzo lijken de blazers een jazzy improvisatie uit te voeren. Hoewel de Sinfonietta La Jolla over het algemeen een zonnig stuk is, ontbreken ook donkere schaduwen niet, zoals de dissonanten in de opening, en de schrijnende hangende C in de hobos en fluiten aan het einde van het Largo. De muziek van Martinu doet doorgaans weinig aan Mahler denken, maar in de langzame strijkersbeweging met bas-pizzicato lijkt het Adagietto uit de Vijfde symfonie van Mahler plotseling niet ver weg.

In het laatste deel overheerst weer de snelle motoriek, maar tegen het einde gaat het Allegro plotseling over in een Poco andante, alsof Martinu het volkslied van Tsjechië aanheft. In alle eenvoud brengt die lyriek ontroering met zich mee. Misschien wel net zoals je getroffen kunt worden door het horen van het luiden van een kerkklok. Clyché? Paul Sacher zei over Martinu: “Ik heb in mijn hele leven geen eenvoudiger, oprechter en aangrijpender mens gekend.”

Marien Abspoel

Bronnen:
Onofficiële website van Martinu
Martinu foundation
Musikfesttage Schweitzerische Martinugesellschaft
Wikipedia: wikipedia Bohuslav_Martinu

VU-Kamerorkest home


View My Stats