VU-Kamerorkest home

Felix Mendelssohn-Bartholdy (1809-1847)

Vioolconcert in e, Op. 64


1. Allegro molto appassionato —
2. Andante —
3. Allegro molto vivace

Mendelssohn was in 1838 begonnen met het schrijven van een vioolconcert (zijn tweede, het eerste schreet hij op 15-jarige leeftijd) voor zijn vriend Ferdinand David. Zijn werkzaamheden aan dit concert moest hij echter staken toen hij in 1840 door koning Frederik Wilhelm IV van Pruisen aan het hof ontboden werd om toe te treden tot het gezelschap van kunstenaars dat de koning had samengesteld om “de kunsten” in zijn rijk een impuls te geven. Een dergelijk verzoek kon in die tijd niet geweigerd warden, en dus vertrok Mendelssohn met veel tegenzin, maar onder druk van zijn moeder (die in Berlijn woonde) naar het hof in Berlijn. Voor Mendelssohn betekende dit het verlaten van het door hem zo geliefde Leipzig, waar hij sinds 1835 dirigent van het Gewandhausorchester was. Hij hield niet van de stad Berlijn en van de conservatieve koning en voorzag bovendien dat hij waarschijnlijk geen tijd meer zou overhouden om te schrijven wat hij wilde.

De koning had prachtige ideeën over een opleving van cuttuur in zijn rijk en verzamelde een keur van schilders, dichters, intellectuelen en musici om zich heen. Mendelssohn zou niet alleen hootd van de Koninklijke kunstacademie worden, maar kreeg tevens tot taak een nieuw conservatorium in Berlijn op te richten. In 1841 verhuisde Mendelssohn naar Berlijn, David werd dirigent van het Gewandhausorchester. De frustraties voor Mendelssohn waren niet van de lucht; de musici waren lang niet zo bekwaam en toegewijd als in Leipzig en eigenlijk ronduit vijandig. Bovendien moest hij te pas en te onpas allerlei patriottische teksten van muziek voorzien. Daarnaast moest hij lesgeven, componeren voor theater en kerk en een koor en orkest dirigeren.

In deze tijd is echter we! een van Mendelssohns meest bekende werken ontstaan, de muziek bij Shakespeares “Midzomernachtsdroom”. Hiermee was hij op z’n zeventiende begonnen, in opdracht van de koning maakte hij het stuk uiteindelijk in 1842 af. Toen in 1842 zijn moeder overleed en ook het conservatorium maar niet van de grond kwam (de koning had inmiddels weer nieuwe interesses), schreef Mendelssohn aan een goede vriend: “Geweldige plannen, weinig toewijding, grote eisen, kleine resultaten, bekwame critici en miserabele musici”.

Mendelssohn wilde er de brui aan geven, maar de koning haalde hem over te blijven, beloofde vermindering van de werkdruk en de mogelijkheid om reizen te maken. Voor een deel bleken het loze beloften, maar Mende!ssohn keerde wel tijdelijk terug naar Leipzig om daar een nieuw conservatorium te stichten, met Robert Schumann als compositie-docent en Ferdinand David (die nog steeds op zijn vioolconcert wachtte) voor viool.

Mendelssohn keerde weer terug naar Berlijn, maar de plichten en frustraties kregen ook hun invloed op zijn gezondheid; drie jaar later zou hij overlijden. Hij vertrok in 1844 voorgoed uit Berlijn (Mendelssohn schreef: “De eerste stap weg uit Berlijn is de eerste stap naar geluk”). Eindelijk was hij in de gelegenheid het beloofde vioolconcert af te maken. Met de adviezen van David ontstond een vioolconcert dat met die van Brahms, Beethoven en Tchaikowky tot de meest bekende werken in dit genre wordt gerekend. De meesterlijke integratie van lyriek en virtuositeit, de melodische lijnen die volkomen natuurlijk en moeiteloos uit de viool lijken te komen, het volledige technische potentieel van de solist dat wordt aangesproken, vormen het succes van dit concert. Het concert bevat voor de tijd waarin het ontstond een aantal opmerkelijke innovaties. De manier waarop de drie delen aan elkaar zijn gesmeed was nog niet eerder vertoond.

Tussen het eerste en tweede deel vormt een aangehouden fagot-noot de harmonische schakel. Na het langzame tweede deel vormt een kort allegretto de inleiding tot de finale, een combinatie van onbeschaamde bravoure en melodieuze lijnen. Voor het eerst in de muziekgeschiedenis is in dit concert de cadens voor de solist volledig door de componist uitgeschreven. Het was gebruikelijk dat de cadens (meestal aan het einde van het eerste deel) de solist in staat stelde zijn virtuose hoogstandjes in een improvisatie ten toon te spreiden. De samenhang tussen de cadens en de rest van het concert was volledig afhankelijk van de grillen en capaciteiten van de solist. Mendelssohn heeft in dit concert een cadens worgeschreven (die ongeveer midden in het eerste deel deel de inleiding tot de doorwerking vormt), die past in de structuur van het concert, zonder afbreuk te doen aan de technische krachtpatserij wor de solist (uiteraard op aanwijzingen van David).

Maarten Spaargaren

VU-Kamerorkest home


View My Stats