VU-Kamerorkest home
W.A. Mozart
Symfonie Concertante in Es voor viool en altviool, KV 364
1. Allegro maestoso
2. Andante
3. Presto
Mozart schreef zijn symfonie concertante in 1779 nadat hij was teruggekeerd van een reis naar Parijs, tijdens welke hij ook tijd had doorgebracht in Mannheim alwaar hij veel nieuwe creatieve impulsen had gekregen. Het concept van de concertante symfonie een werk met de bouw en thematische verwerking van een symfonie en solo instrumenten zoals in een concerto grosso werd ontwikkeld door Mannheimse componisten zoals Carl Stamitz, wiens werk door Mozart in het thema van het eerste deel direct wordt geciteerd. Van de vele combinaties van solo-instrumenten die naast het orkest kunnen worden geplaatst, koos Mozart voor de twee meest populaire instrumenten van zijn geboortestad Salzburg: de viool en de altviool. Mozart bepaalde dat de solo-altviool een halve toon hoger gestemd diende te worden (“accordata un mezzo tono piu alto”) en schreef de partij oorspronkelijk in D. Niet dat deze nu makkelijker speelbaar zou zijn vanwege de losse snaren, maar om de klank meer in de buurt te laten komen van de, van nature helderder klinkende, viool; tevens kon de solo-altviool zich hierdoor beter onderscheiden van de tutti altviolen.
Het eerste deel is rijk aan thema’s; los van die, die in de orkestrale introductie ten gebore worden gebracnt, introduceren de solisten er zelf drie. De doorwerking opent met wederom een ander thema (in g-mineur) voordat de solisten beginnen met een reeks van elkaar imiterende loopjes en arpeggi. Gedurende het gehele deel en in Mozarts eigen cadens, is men zich bewust van de gelijkheid van de solostemmen en van het feit dat we hier met echte solisten te maken hebben; het werk heeft eigenlijk meer weg van een dubbelconcert dan van een symfonie met solostemmen. De donkere kleuring van het c-mineur andante (in sonatevorm) en de aanhoudende puls van bet openingsthema, doen sterk denken aan het andantino van het pianoconcert in Es, KV 271, dat zo’n twee jaar eerder werd geschreven. Viool en altviool versterken en verfraaien dit thema met opperste welsprekendheid, waarbij de altviool zachtmoedig het tweede thema inleidt. De finale is een uitgelaten rondo met twee episoden. Het eerste wordt begonnen door de viool en het tweede door de altviool, beide met hetzelfde uitbundige thema. Na een derde reprise van bet refrein wordt het deel tot een briljant en treffend einde gebracht.
Etienne Verhagen