VU-Kamerorkest home
Francis Poulenc (1899-1963)
Concert Champêtre
- I Allegro molto
- II Andante
- III Finale
“How can I tell you my emotion at hearing my goddess play the Champêtre? What joy you gave me! I suddenly felt rejuvenated, happy.” - Francis Poulenc
Poulenc werd geboren in Parijs op 7 januari 1899 en is gestorven in dezelfde stad op 30 januari 1963. Hij behoorde tot Les Six, samen met de collega componisten Honegger, Milhaud, Auric, Durey en Tailleferre. Feitelijk was de groep meer een sociaal gebeuren dan een componistenfront met een specifieke en collectieve agenda. Wat hen echter bond was een ontevredenheid met de recente muziekhistorie en een vastbeslotenheid de muziek te ontdoen van de ballast en theatrale gekunsteldheid die in hun ogen de (post-)romantiek kenmerkte. Jean Cocteau (schrijver van het monodrama La Voix Humaine, de opera waarmee het VU-Kamerorkest haar lustrum vierde in 2002) inspireerde hen tot een kunstvorm die dichter bij het leven van alle dag staat, dichter bij het circus dan bij het operahuis staat, met een bondige expressie, meer Parijs dan Frans, in ieder geval het tegenovergestelde van Wagner en Strauss. Poulenc schreef zijn Concert Champêtre (1927-1928) voor klavecimbel (of piano) en orkest voor Wanda Landowska. Poulenc had de première bijgewoond van Falla’s Retablo de Maese Pedro, een modern werk met een klavecimbelpartij: “It was there that I met Wanda Landowska, who was playing the harpsichord in Falla's Retablo. It was the first time that the harpsichord had entered a modern orchestra. I was fascinated by the work and by Wanda. ‘Write a concerto for me’ she said. I promised her to try. My encounter with Landowska was a capital event in my career. I have for her as much artistic respect as human tenderness. I am proud of her friendship, and I shall never be able to say how much I owe her.” Hij schreef het concert in de periode van oktober 1927 tot september 1928, dat wil zeggen, toen schreef hij het voor de eerste keer. Vervolgens ging hij samen met Landowska door de partituur, noot voor noot, maat voor maat.
Het eerste deel van het concert opent met een Stavinsky-achtige fanfare waarop
het klavecimbel antwoordt met een reeks akkoorden. Het Allegro molto is
meer een suite van dansen dan een traditioneel sonatedeel. Het Andante,
dat de aanwijzing mouvement de sicilienne heeft meegekregen, ademt een
achttiende-eeuwse sfeer. Een passage gespeeld door gedempte strijkers begeleid
door het klavecimbel doet herinneren aan Fauré. Net zoals het
openingsdeel begint de Finale met de aanwijzing très gai
(zeer vrolijk). Dit wordt vervolgens afgewisseld met de aanwijzingen
très court (kort), très léger (licht) en
très sec (droog): tezamen een passende karakterisering van het
deel. Twee maten lange achttiende-eeuwse klavecimbelfiguren worden tegen
elkaar uitgespeeld als bij een volksliedje of kinderliedje.
Gerard van Rooij
april 2005