VU-Kamerorkest home
Francis Poulenc (1899-1963)
Sinfonietta
1. Allegro con fuoco
2. Molto vivace
3. Andante cantabile
2. Finale
Francis Poulenc droeg zijn Sinfonietta in 1947 op aan Georges Auric, een collega uit het illustere groepje dat onder de naam Les Six bekend is geworden. Zij zetten zich af tegen het verfijnde en gecultiveerde impressionisme dat toendertijd de toon aangaf in Frankrijk. Les Six namen Erik Satie als voorbeeld. Het enfant terrible van rond de eeuwwisseling schopte tegen iedere traditie en was bovendien niet vies van de minder serieuze muziekvormen: salonmuziek, filmmuziek en entertainment. Ook bij Poulenc treffen we een merkwaardige vermenging aan van uiteenlopende stijlen. Bitse, ironische humor en vitale ritmiek wordt vermengd met haast sentimentele zangerige melodieën. Circusakt, levenslied en serene, bijna religieuze verstilling gaan naadloos in elkaar over. Poulenc flirt met populaire straatdeunen en (bijna)citaten van andere componisten. Zelfs de afwijkende harmonieën en dissonanten komen eerder voort uit persiflage dan uit een systematische werkwijze. De extreme contrasten en bijzondere instrumentatie verlenen de muziek toch een zeer persoonlijk karakter. Alleen het Franse temperament van Poulenc kan deze potpourri tot een eigen stijl en eenheid samensmeden.
Terwijl J.Chr. Bach aan de wieg staat van de klassieke symfonie, lijkt Poulenc de symfonische vorm nonchalant en luchthartig vaarwel te wuiven. Sinfonietta is een verkleinwoord voor symfonie. Het mag blijkbaar nauwelijks die naam dragen. In Frankrijk was de symfonische traditie in onmin geraakt. De Franse cultuur is de eerste helft van deze eeuw vrijwel verstoken gebleven van symfonieën. Meer dan een verwijzing met een knipoog was er van Poulenc niet te verwachten.
Het eerste deel Allegro con fuoco opent in v1iegende vaart met de waarschuwing van de komponist: ‘nooit langzamer dan 160-168 kwarten per minuut’. In het eerste thema wisselen bijtende staccato's en verbrokkelde melodiefrasen elkaar snel af. Bij het tweede thema proberen de eerste violen wat meer lichtvoetigheid in de muziek te brengen. Direkt hierop volgt echter een frase die aan een galmend levenslied lijkt te zijn ontleend. Deze heksenketel wordt onderbroken door enkele onderkoelde maten die bijna als een citaat van Stravinsky kunnen worden opgevat.
Een intermezzo in het halve tempo biedt een korte adempauze. Delicate strijkersklanken, ijle blazersnoten en harpglissandi verlenen de muziek even een impressionistisch karakter. De luisteraar wordt onvermijdelijk teruggewerd naar het vliegende tempo waarin het deel opende. Poulenc heeft nog een kleine ode aan een russisch paasfeest (Moessorgsky) in petto alvorens het eerste thema terugkeert. Het deel eindigt met een (geveinsde) sereniteit.
Het tweede deel Molto vivace herneemt het snelle tempo, maar heeft meer het karakter van een scherzo. De luisteraar wordt niet meer zo door elkaar geschud. Een speelse feeststemming overheerst het gehele deel. Poulenc benut de gelegenheid om strijkers en blazers in virtuoze partijen over elkaar heen te laten buitelen.
In het zangerige derde deel Andante cantabile klinkt na een korte introductie een eerste thema, dat lijkt te zijn verdwaald uit een serenade van Brahms. Van Poulenc kunnen we echter geen ‘duitse’ symfonische opbouw verwachten. Er is meer sprake van een aaneenschakeling van liedfragmenten. De melancholische hartstocht van Brahms moet ook plaats maken voor meer nonchalante charme en een vleugje sentiment.
Poulenc worziet de Sinfonietta van een bitse Finale Prestissimo et tres
gai waarin als een pastiche Stravinsky, Eine kleine Nachtmusik van
Mozart, een tango en een popsong samenvloeien (ain't she sweet, see her
coming down the street). Als apotheose klinkt een Maestoso-passage, maar
Poulenc besluit de Sinfonietta met een bitse grap.
Marien Abspoel