VU-Kamerorkest home
Maurice Ravel (1905-1937)
Concert voor piano en orkest in G
1. Allegramente
2. Adagio assai
3. Presto
Als je gevraagd wordt om een stukje te schrijven voor een programmaboekje hoop je dat je bij het inlezen gaat stuiten op een berg (dan wel beerput) van liefdesaffaires, intriges met andere componisten, schandalen in de concertzaal en zo meer. Bij Ravel is dit een probleem: een beetje roddelblad had geen brood in hem gezien.
Er is niets bekend over enig liefdesleven. Een schandaal was er nog wel rond de Prix de Rome, die Ravel tot drie keer toe (net) gemist heeft. In 1905 kon de jury eigenlijk niet meer om hem heen gezien zijn toen al behoorlijke naam maar wilde hem de prijs niet geven; reden genoeg om Ravel op formele gronden uit te sluiten. Verder is er nog een verhaal dat hij gebrouilleerd is geraakt met Diaghilev omdat deze had geweigerd La Valse op te nemen in het repertoire van zijn Ballets Russes. En dan zijn er nog twee premières bekend waarbij werk van hem uitgefloten werd. En daarmee zijn de affaires in zijn leven op één hand te tellen.
Ravel was er de man niet naar om met jan en alleman ruzie te maken, of veel stof te doen opwaaien. Als er toch wat stof verplaatst werd, was dat niet omdat hij daar bewust op aangestuurd had maar gewoon omdat hij zijn eigen weg ging en niet begrepen werd. Hij mengde zich dan ook niet echt in wat er om hem heen in het muziekleven gebeurde, maar pikte eruit wat hij nodig had en deed er het zijne mee.
Een wat teruggetrokken man dus, die het grootste deel van zijn vrije tijd besteedde aan het verzamelen van prullaria en kitsch. Hoogtepunt in zijn verzameling schijnt een opwind-bare mechanische nachtegaal geweest te zijn, die kon fluiten en dan ook nog zijn snavel en vleugels bewoog. Geen wonder dat Ravel een heerlijke vakantie gehad heeft in Nederland: het mathematische landschap met die leuke draaiende windmolens deden hem misschien wel heel veel denken aan zijn opwindbare speelgoedjes thuis.
Het pianoconcert in G uit 1937 is - zoals eigenlijk het overgrote deel van zijn muziek - moeilijk echt in een vakje te stoppen, doordat Ravel zo zijn eigen gang ging. Toch is er in dit werk sprake van diverse invloeden: een beetje jazz (Gershwin), een beetje neoclassicisme (Stravinsky), een beetje impressionisme (Debussy). Het werk blijft echter in eerste instantie vooral Ravel, daar is geen twijfel over mogelijk. Veelzeggend is misschien ook wel wat Ravel Gershwin heeft meegegeven toen deze vroeg om lessen: “Waarom wilt u een tweederangs Ravel worden terwijl u toch een eersterangs Gershwin bent? Gaat u maar uw eigen weg. U hebt geen leraar nodig.” Omgekeerd geldt dit ook: Ravel voegt her en der wel degelijk een vleugje Gershwin, Stravinsky of Debussy toe maar hoedt zich ervoor om het idioom echt te kopieren.
Ravels uitgangspunt voor het concert was het schrijven van een “divertissement”, en zeker de hoekdelen hebben een uitgesproken uitgelaten en vrolijk karakter. Een enorm contrast met het hierboven geschetste beeld van de wat in zichzelf gekeerde man, die vanwege zijn mechanische speelgoed en zijn oneindige precisie zelfs wel eens “horlogemaker” genoemd werd. Het moet ook toegegeven worden dat zijn muziek iets mechanisch heeft, zeker in het laatste deel dat in één ratelende beweging alsmaar doorgaat. En met een beetje goede wil kin je de piano-linkerhand in het middendeel zien als de stereotypische hoempapa van een draaiorgel. Toch is het juist dit deel dat zelfs de grootste scepticus moet kunnen overtuigen: wie kan bij deze muziek de ogen nog droog houden?
Hendrik-Jan Bosma
De vleugel in de Leeuwenberghkerk in Utrecht is een Blüthner uit de eerste helft van deze eeuw, die zeer onlangs grondig is gerestaureerd. Het Pianoconcert van Ravel is het eerste stuk dat erop gespeeld wordt sinds de restauratie.