VU-Kamerorkest home

Franz Schubert

Symfonie in C D. 944 ‘Die Grosse’


1. Introductie - Allegro, ma non troppo
2. Andante con moto
3. Scherzo: allegro vivace
4. Allegro vivace

Franz Schubert was zoon van een onderwijzer, en was op één na de jongste van 14 kinderen, van wie er uiteindelijk maar 5 in leven bleven. In 1813 huwde zijn vader een tweede maal en kreeg nogmaals vijf kinderen. Door zijn vader voorbestemd voor het onderwijzersvak, bleek hij al vroeg muzikaal zeer begaafd. Verschillende getuigenissen van tijdgenoten vermelden composities tijdens zijn kinderjaren, al zijn sommige van die getuigenissen oncontroleerbaar gebleken.

Op zevenjarige leeftijd begon hij, onder leiding van zijn vader, met vioollessen en algemene muzikale vorming. Op achtjarige leeftijd kreeg hij pianoles van zijn broer Ignaz, en vanaf zijn negende jaar studeerde hij zang, orgel, viool en contrapunt bij Michael Holzer, zangmeester en organist van de parochiekerk in Lichtenthal. Reeds met 11 jaar werd Schubert aangenomen als zanger van de keizerlijke kapel en leerling van het Convict, de zangersschool bij de keizerlijke kapel, waar hij vijf jaar verbleef en naast een uitvoerige muzikale vorming tevens een uitstekende gymnasiumopleiding ontving.

Al op zijn 12e werd hij eerste violist en plaatsvervangend dirigent van het schoolorkest. Vanaf ongeveer die tijd zijn composities van hem bekend, o.a. een Fantasie voor piano vierhandig en het eerste lied Hagars Klage, dat onmiddellijk de aandacht trok van Salieri, de Italiaanse componist en hofkapelmeester te Wenen, die hem na het verlaten van het Convict nog geruime tijd gratis les zou geven.

Op zijn 15e componeerde Schubert kerkmuziek en een jaar later, in 1813, volgden onder andere de ‘toveropera’ Des Teufels Lustschloss (Kotzebue) en de Eerste Symfonie. In datzelfde jaar kreeg Schubert de baard in de keel en moest het Convict verlaten; hij begon zijn opleiding tot onderwijzer aan de kweekschool St. Anna, waarna hij op zijn 17e hulponderwijzer aan de school van zijn vader werd. Hij componeerde Gretchen am Spinnrade, het eerste typische Schubertlied, in 1815 gevolgd door meer dan 150 liederen, waaronder Heidenröslein en Erlkönig. Na vergeefs gedongen te hebben naar het ambt van hoofdmuziekleraar aan de muziekschool te Laibach (Ljoebljana), nam Schubert in 1816 ontslag als onderwijzer en verliet hij het ouderlijk huis. Vanaf toen hield hij zich voornamelijk bezig met componeren en lesgeven.

Schubert behoort tot de componisten van de vroeg-romantiek, al kunnen enkele van zijn laatste werken haast al aangeduid worden als hoog-romantiek. Hoogtepunt van Schuberts symfonisch werk is echter ongetwijfeld de Symfonie in C ‘De Grote’ waaraan hij in 1925 begon en die hij een halfjaar voor zijn dood beëindigde. Tijdens zijn leven werd deze symfonie als onspeelbaar terzijde geschoven; in 1839 werd zij voor het eerst door Felix Mendelssohn ten gehore gebracht, na te zijn herontdekt door Robert Schumann, die haar niet slechts als een voortzetting van de Unvollendete beschouwde, maar als een meesterwerk van de symfonische literatuur, waarin de compositorische idealen van het classicisme en de romantiek volmaakt samenkomen.

Over de nummering bestaat veel verwarring: in eerste instantie werd zij no. 9 genoemd, de bekende ‘Onvoltooide’ no. 8, en no. 7 bestond niet. Later is om dit probleem op te lossen no. 9 no. 7 geworden, maar aangezien de Symfonie in C van later datum is, is uiteindelijk besloten door te tellen en de ‘Onvoltooide’ no. 7 te noemen, en de ‘Grote’ no. 8. Deze verwarring is waarschijnlijk ontstaan door de ontdekking van nog een symfonie, die echter verloren is gegaan en waarvan nu wordt aangenomen dat het dezelfde was als de ‘Grote’ symfonie.

Het tempo van de introductie was altijd een probleem, en dan vooral de overgang van de introductie naar het allegro. De bekende dirigent Carlo Maria Giulini dook daarom in de archieven op zoek naar het originele handschrift van Schubert, en kwam zo tot de ontdekking dat de introductie van het eerste deel niet een ‘gewone’ vierkwartsmaat, maar ‘alla breve’ (met een gevoel in 2-en) moest zijn, hetgeen de introductie een wat sneller tempo geeft en zo natuurlijker aansluit bij het daarop volgende allegro ma non troppo. Hierin komt meteen het thema tevoorschijn dat de hele symfonie door een belangrijke rol speelt: het gepuncteerde ritme.

In het tweede deel komt de hobo ruimschoots aan bod in een prachtige solo, later overgenomen door andere blazers. Kenmerkend is de lengte van het tweede deel; het hoofdthema, in a-klein, wordt lang uitgesponnen en wordt gevolgd door een lieflijk thema in A-groot. Uiteindelijk komt het eerste thema weer terug als een soort coda.

Het derde deel is een echt Scherzo, dat aan het einde van de 18e, begin 19e eeuw de plaats innam van het Menuet. Wel heeft het dezelfde vorm, met in het midden een trio, alleen het karakter is veel levendiger en grilliger. Het trio zelf doet nog wel sterk denken aan het 18e eeuwse trio.

De finale is een allegro vivace, dat eindeloos doorborduurt op het al eerder genoemde gepuncteerde ritme, afgewisseld met triolen. In dit deel gunt Schubert het orkest (en de toehoorders!) geen moment rust, en deze symfonie vormt dan ook een ware uitputtingsslag. Hoewel Schubert vrijwel bij elk deel herhalingen schrijft - dat was gebruikelijk in die tijd -, worden deze vaak niet gespeeld om bovengenoemde reden. Het effect is een groots en meeslepend deel, wat alleen al de titel ‘De Grote’ rechtvaardigt. Een gevoel van ‘Es ist vollbracht’ is hier zeker op zijn plaats.

Odette Bruinzeel

VU-Kamerorkest home


View My Stats