VU-Kamerorkest home
Franz Schubert en Luciano Berio
Rendering per orchestra (1988-1990)
De ontstaansgeschiedenis
Onder de nagelaten papieren van Franz Schubert (1797-1828) bevinden zich de schetsen voor zijn onvoltooid gebleven Tiende symfonie (D.936A), waar hij de laatste weken voor zijn dood aan had gewerkt. Deze zeer fragmentarische schetsen (in piano-notatie op twee balken) bevinden zich in een driedelige bundel van 17 pagina’s, samen met schetsen voor twee andere symfonieën: een symfonie in D (D.615) uit 1818 en een symfonie (D.708A) uit 1821(?). De bundel wordt bewaard in de Wiener Stadt- und Landesbibliothek.Naar aanleiding van de 150e sterfdag van Schubert werden in 1978 de schetsen op basis van een minutieus vergelijkend papier- en handschrift-onderzoek opnieuw geordend. Vooral de schetsen voor de 10e Symfonie, D.936A, trokken internationaal de aandacht. Ook de belangstelling van de Italiaanse componist Luciano Berio (1925 - 2003) voor de “Tiende Schubert” werd gewekt. Rendering is ontstaan na een voor Berio typerend proces van “work in progress”:
- Versie-I.
- Een opdracht van de Schubertiade te Hohenem uit 1986, maar pas in première gegaan in 1988 bij het Residentie-Orkest onder Harnoncourt. Werktitel: Schubert/Berio - Opus X, titel bij de première: Schubert-Fragmente/Instrumentierung für Hohenems.
- Versie-II.
- Deze versie was tweedelig en ging in Amsterdam onder Harnoncourt in première in het Holland Festival 1989 onder de titel: Rendering per orchestra. Berio was nog niet tevreden en zei dat er nog een definitieve versie zou komen.
- Versie-III.
- Inmiddels hoopte het Koninklijk Concertgebouworkest met die definitieve versie het 100-jarig bestaan van het orkest in 1988 op te luisteren, maar die termijn werd niet gehaald. Pas in 1990 speelde het Koninklijk Concertgebouw Orkest onder leiding van Riccardo Chailly de première van de nu driedelige versie van Rendering. In de partituur staat de opdracht in een mooie combinatie van Italiaans, Engels en Nederlands: scritto per la concertgebouw orchestra e dedicato a riccardo chailly.
De restauratie
Berio heeft zelf een uitvoerige inleiding tot het werk geschreven: Schuberts Ende - Berios Anfang. Berio zag af van elke poging om de Tiende symfonie te voltooien zoals Schubert dat mogelijk zelf zou hebben gedaan en hij spreekt zijn afkeer uit over musicologen die denken dat ze Schubert (zo niet Beethoven) zijn. Berio noemt Rendering een restauratie en geen completering of reconstructie. Hij vergelijkt zijn werkwijze met de moderne restauratietechniek van fresco’s, waarbij men probeert de oude kleuren van de bewaard gebleven fragmenten te herstellen en de onvermijdelijke lege plekken in de compositie open laat (zoals in het geval van de Giotto’s in Assisi).Berio kon de schetsen van Schubert niet zonder meer instrumenteren voor symfonieorkest. Daarvoor zijn de nagelaten schetsen veel te rudimentair. In de schetsen is er soms maten lang alleen maar een melodiestem. Op andere plaatsen is er een slechts een accoordenschema – de thematische invulling ontbreekt volledig. Veel meer informatie geeft de notatie melodie plus baslijn, maar ook dan is er een gebrek aan informatie over begeleidingsfiguren en het spel dat Schubert zou spelen met belangrijke ritmisch-melodische motieven. Berio heeft het kale skelet tot een meerstemmig leven gewekt met zelf bedachte begeleidingsfiguren en ritmisch-melodische motieven. Hij heeft dat terughoudend en smaakvol gedaan. Pas toen kon er geïnstrumenteerd worden.
De gekozen orkestbezetting stemt overeen met die van de Unvollendete en in Berio’s orkestratie klinkt het orkest meestal Schubertiaans en doorzichtig. Maar is het Berio is ontgaan dat Schubert nog schreef voor natuurtrompetten en natuurhoorns? Voor die instrumenten was de volledige chromatische toonladder nog een onmogelijkheid. Telkens als Berio de volledige kopergroep van trompetten, hoorns en trombones chromatisch laat moduleren is dat raar – een anachronisme. Ter verantwoording liet Berio in de Schubert-fragmenten de originele pianoschetsen van Schubert onder de orkestpartituur afdrukken.
Over de tijdens de “restauratie” met “cement” opgevulde open plekken zegt Berio zelf: In de open gedeelten tussen de ene schets en de volgende, componeerde ik een soort verbindend weefsel dat steeds anders en wisselend is, voortdurend pianissimo en “veraf” gemengd met herinneringen aan de late Schubert (de Pianosonate in Bes, het Pianotrio in Bes enz.) en met dwarsverbindingen van materiaal dat is gebaseerd op fragmenten uit dezelfde schetsen.
Dat tere muzikale cement dat commentaar levert op de onderbrekingen en gaten tussen de ene en de andere schets, wordt steeds aangekondigd door klanken van de celesta met de aanduiding “lontano”. Een onbestemd gebied waarin vaaglijk herinneringen aan Schubert te horen zijn, tevens zorgend dat de oorspronkelijke fragmenten bijeen worden gehouden en een symfonische structuur verkrijgen. Maar dat tegelijkertijd ook op dichterlijke manier verhaalt van een immense, onoverkomelijke afstand en van de fatale aantrekkingskracht die hun invloed op de luisteraar uitoefenen. De fragmenten worden gekenmerkt door een soms dertigstemmige polyfonie: het strijkorkest is opgesplitst tot veertienstemmigheid en alle 15 blazers en de celesta hebben onafhankelijke stemmen. Berio gebruikt vele coloristische effecten (flageoletten, glissando, sul ponticello, tremolo, con sordino). Daar nog aan toegevoegd de complexe polyritmiek en de vage Schubert-reminicenties en dan moge het duidelijk zijn dat dit cement van zeer verfijnde, steeds veranderende magische textuur is.
Uiteindelijk kreeg Schuberts Tiende in Berio’s restauratie deze
contouren:
I. Allegro Schubert/Berio – lontano – Schubert/Berio
– lontano – Schubert/Berio
II. Andante lontano – Schubert/Berio – lontano –
Schubert/Berio – lontano – Schubert/Berio – lontano
III. lontano – Schubert/Berio – lontano –
Schubert/Berio – lontano – Schubert/Berio – lontano
– Schubert/Berio
Daan Admiraal, oktober 2007