VU-Kamerorkest home
Dmitri Sjostakowitsj (1906-1975)
Kammersinfonie Op. 83a
bewerking van het Vierde Strijkkwartet door Rudolf Barshai
1. Allegretto
2. Andantino
3. Allegretto -
4. Allegretto
Dmitri Sjostakowitsj (1906-1975) heeft 15 symfonieën geschreven, en die zijn allemaal georkestreerd voor groot symfonie-orkest: veel, veel strijkers, drie- tot zesdubbele houtblazers, een voltallige koperbezetting en veel slagwerk. Geen repertoire voor een Kamerorkest, dat uit 30 strijkers, tweevoudig hout en spaarzaam koper bestaat. Maar al tijdens Sjostakowitsj’ leven zijn enkele van zijn strijkkwartetten (het 3e en het 8e) bewerkt voor kamerorkest door zijn vriend Rudolf Barshai, en Sjostakowitsj heeft aan die bewerkingen zijn goedkeuring gehecht. Die bewerkte strijkkwartetten worden aangeduid met de naam Kammersinfonie. Het werk dat het VU-Kamerorkest voor u zal spelen is ook zo’n bewerking van de hand van Rudolf Barshai, en wel een recentelijk gemaakte van het vierde strijkkwartet Opus 83, dat uit 1949 dateert.
De laatste jaren is er veel erkenning gekomen voor de muziek van Sjostakowitsj. Tijdens zijn leven werd hij vanuit het Westen eigenlijk vooral beschouwd als een echte Sovjet-componist, die symfonieën vervaardigde om de 50e verjaardag van de Russische Revolutie feestelijk te eren, en die in de Tweede Wereldoorlog met zijn Leningrad-symfonie (de zevende) een echt oorlogsmonument had geschapen. De ommekeer in de opinie van zowel musici als luisteraars is gekomen toen na Sjostakowitsj’ dood zijn clandestiene autobiografie in het Westen gepubliceerd is (‘Getuigenis’, in de Engelse editie ‘Testimony’, opgetekend door Salomon Volkov). Dit aangrijpende verslag verhaalt van Sjostakowitsj’ aanvankelijke succes binnen de totalitaire Sovjetcultuur, dat faliekant omsloeg nadat partijbonzen (en met name Stalin zelf) in 1936 zijn opera ‘Lady Macbeth van Mtsensk’ hadden gezien. Sjostakowitsj leefde sindsdien op de rand van complete ongenade. Wat dat betekende, kon hij maar al te goed om zich heen zien: bijna al zijn vrienden die zich op wat voor manier ook onderscheidden, als musicus, als toneelregisseur, als militair, als politicus, verloren familie, goed en leven. Vanaf ‘Lady Macbeth’ heeft Sjostakowitsj in permanente doodsangst geleefd, en in ‘Getuigenis’ speculeert Sjostakowitsj dat alleen Stalins idee dat ‘die Sjostakowitsj goeie filmmuziek schrijft’ hem het leven gered heeft. En Sjostakowitsj moest concessies doen bij het schrijven van zijn muziek, er moesten triomfantelijke slotfanfares in, en revolutionair elan. Alleen onderhuids woont in die muziek ontroostbaar verdriet en doodsbewustzijn.
De reeks van Sjostakowitsj’ strijkkwartetten is begonnen na ‘Lady MacBeth’, en ze worden algemeen gezien als zijn muzikale Getuigenis: de strijkkwartetten waren een privé-uiting, zoals de symfonieën, filmmuziek, Revolutionaire Feestouvertures een publieke uiting waren. Het verdriet dat in de symfonieën onderhuids blijft, ligt duimendik bovenop in alle strijkkwartetten. Een Sjostakowitsj-strijkkwartet onderga je niet voor je lol, het is een directe confrontatie met ontroostbare angst, eenzaamheid en dood. Nu is het Vierde strijkkwartet, waarvan onze Kammersinfonie afstamt, nog een van de minder gruwelijke. Het tweede deel, Andantino, kent zowaar momenten van tederheid. Het vierde deel doet in sfeer erg denken aan de Liederen en Dansen van de Dood van Moessorgski, net als Sjostakowitsj’ Veertiende Symfonie. Deze quasi-vrolijkheid is voor Russische luisteraars, en voor gewaarschuwde Westerlingen, direct als herkenbaar als openlijke referentie naar de dood.
Rutger Hofman