VU-Kamerorkest home
Igor Stravinsky (1882-1971)
Dumbarton Oaks (maart 1938)
“Stravinsky pokes fun at musicians who are anxious [...] to write the music of the future.”(Schoenberg over Stravinsky, 1926)
Igor Stravinsky werd geboren op 18 juni 1882 te Oranienbaum bij St. Petersburg. Zijn muzikale vorming bestond uit pianolessen en priv-lessen van Rimsky-Korsakov. Van Stravinsky’s vermogen om muzikale ideen op te pikken uit zijn omgeving en ze nieuw leven in te blazen zijn voorbeelden te over: Russische (volksdans-)elementen zijn terug te vinden in Petroesjka en l’Histoire du soldat, jazz-elementen in zijn ‘Ebony Concerto’ en elementen uit de barok in ondermeer Pulcinella en The Rake’s Progress. Zijn nieuwsgierigheid voor de barok werd na de eerste wereldoorlog gewekt toen zijn vriend Diaghilev voorstelde om voor de Ballets Russes enkele stukken van Pergolesi te arrangeren. Stravinsky voelde daar in eerste instantie weinig voor. De simpele maar charmante stukjes werkten echter op zijn fantasie en hij begon met het manipuleren van ritme en harmonie waardoor het karakter van de muziek intrinsiek veranderde: zo ontstond de neoklassieke stijl van Stravinsky.
Het Concert in Es ‘Dumbarton Oaks’ voor kamerorkest werd in 1937 en ’38 geschreven in opdracht van een Amerikaans echtpaar ter gelegenheid van hun dertigste huwelijksverjaardag. In ‘Dumbarton Oaks’ (de naam verwijst naar het landgoed van het echtpaar in Washingon D.C.) maakt Stravinsky gebruik van een onorthodox Bach ensemble: drie violen, drie altviolen, twee celli, twee contrabassen, fluit, klarinet, fagot en twee hoorns. Het werk begint in een voortvarende stijl met citaten uit Bach’s derde en zesde Brandenburgse concert. Al spoedig blijkt door de manier van orkestreren en van fragmenteren van gebruikte ritmes overduidelijk dat het hier een werk uit Stravinsky’s neoklassieke periode betreft.
De concertante vorm van het eerste deel, Tempo giusto, suggereert een concerto grosso waar de negen partijen elk beurtelings een solo-rol mogen vervullen afgewisseld met tutti-passages. Het openingsakkoord bestaat, net zoals in zijn vioolconcert, uit een akkoord in de basistoonsoort met een toegevoegde dissonant, hier in de hoorn. Het ‘hergebruik’ van elementen van Bach blijft beperkt tot enkele noten, bijvoorbeeld het bes-d-es van de fluit (maat 1 en 2) dat echter wel talloze keren, al dan niet verdraaid, terugkomt.
[Notenvoorbeeld 1]
Het tweede deel, Allegretto, vertoont met zijn vasthoudend melodisch/ritmisch ostinato gelijkenissen met de Danses Concertantes. Van toespelingen op de Brandenburgse concerten is geen sprake meer.
Het derde deel, Con moto, refereert nauwelijks meer aan barokelementen. Het bevallige en toch ironische centrale gedeelte in c klein doet eerder aan Mozart denken.
In Dumbarton Oaks komen de eerste tekortkomingen van zijn neoklassieke stijl in de vorm van een gebrek aan coherentie aan het licht.
Pieter Emeis