VU-Kamerorkest home
Igor Stravinsky (1882-1971)
Pulcinella (Suite)
1. Sinfonie
2. Serenata
3. Scherzino - Allegro - Andantino
4. Tarantella
5. Toccata
6. Gavotta con due variazioni
7. Duetto
8. Minuetto - Finale
Het bestaan van Pulcinella hebben we te danken aan Sergej Diaghilev, de directeur van de beroemde Ballets Russes. Diaghilev had een fijne neus voor wat bijzonder, leuk of groots was. Hij had in 1909-1917 Stravinsky gelanceerd met zijn Grote Balletten Oiseau de Feu, Petroesjka en de Sacre du Printemps.
Op reis door Italie hadden Diaghilev en Stravinsky samen voorstellingen bekeken van de Commedia dell’ Arte, en Diaghilev had het wilde idee gekregen een klassiek Commedia dell’ Arte-gegeven als ballet te brengen, en dat op muziek van de 18-eeuwse componist Pergolesi, die door Stravinsky geinstrumenteerd zou moeten worden.
Stravinsky, die toen, in 1919, in Zwitserland woonde en werkte, heeft hier zelf verslag over uitgebracht:
“Diaghilev zei: “Ga nou niet meteen protesteren maar luister eerst. Ik weet dat je erg verrukt bent van je Alpine collegae” - dit met snijdende geringschatting - “maar ik heb een idee dat je vast veel leuker gaat vinden dan alles waar zij mee aankomen. Ik wil graag dat je eens kijkt naar wat enorm leuke 18e-eeuwse muziek met het idee om het te orkestreren voor een ballet”. Toen hij zei dat de componist Pergolesi was, dacht ik dat hij waanzinnig geworden was. Ik kende Pergolesi alleen van het Stabat Mater en La Serva Padrone, waar ik zojuist een productie van gezien had in Barcelona, en Diaghilev wist dat ik er bepaald niet ondersteboven van was. Toch beloofde ik hem om ernaar te kijken en mijn mening te geven.
Ik keek ernaar, en werd verliefd. Mijn uiteindelijke selectie kwam echter slechts ten dele uit Diaghilevs voorbeelden, en ten dele uit gepubliceerde edities, maar ik heb alles wat verkrijgbaar was van Pergolesi doorgespeeld voor ik mijn keus maakte.
Ik ben begonnen met componeren in de Pergolesi-manuscripten zelf, alsof ik een oud stuk van mijzelf aan het corrigeren was. Ik begon zonder vooropgezette plannen of esthetische ideeën, en ik had niets kunnen voorspellen over het resultaat. Ik wist wel dat ik geen Pergolesi-vervalsing kon produceren, omdat mijn motorische gewoontes zo anders zijn; op zijn best kon ik hem herhalen in mijn eigen tongval. Dat het resultaat tot op zekere hoogte een satire is, was waarschijnlijk onvermijdelijk - wie zou dat materiaal in 1919 zonder satire hebben kunnen bewerken? - maar zelfs deze observatie is achteraf-interpretatie: ik was niet aan de slag gegaan met het idee om een satire te maken, en Diaghilev had natuurlijk geen seconde zoiets overwogen. Een stijlvolle orkeststratie was wat Diaghilev wilde, en niets meer; mijn muziek schokte hem zozeer dat hij een hele tijd rondgelopen heeft met een gezicht van “De Beledigde 18e Eeuw”. Maar eigenlijk is het opmerkelijke van Pulcinella niet zozeer hoe veel er is veranderd of toegevoegd maar hoe weinig.”
Pulcinella betekende een stijlrevolutie voor Stravinsky. Zijn Grote Balletten waren ritme- en klankorgasmes op enorme schaal, maar Pulcinella is geinstrumenteerd voor een Kamerorkest, met maar één trombone en één trompet, zonder slagwerk en zonder zoetzinnelijke klarinetten. Hierin voegde Stravinsky zich eigenlijk naar het 18-eeuwse orkest, alleen het clavecymbel ontbreekt (dat zou later in zijn opera The Rake’s Progress wel zijn opwachting maken). Bovendien heeft Pulcinella veel kenmerken van 18e-eeuwse muziek: de doorgaande ritmische beweging, de tonale structuur, de dialoog van tutti en soli die herinnert aan het concerto grosso. Natuurlijk heeft Stravinsky de regels van de 18e eeuw voortdurend subtiel geschonden. Figuurtjes komen ineens langs op de verkeerde plek in de maat, tegenstemmetjes zijn uitgesproken 20e-eeuws, er zijn groteske solo’s voor trombone (met glissandi) en contrabas, episoden worden onverwacht aaneengelast. Het Neo-Classicisme was geboren. Stravinsky heeft na Pulcinella nog veel werken in deze stijl gecomponeerd, en veel andere componisten vonden het ook een heel leuk idee: Prokofjef (Klassieke Symfonie), Respighi, tot voor zeer kort Schnittke, en vele anderen. Er waren ook gezaghebbende componisten die er geen brood van lustten. Schönberg heeft het volgende poeem vervaardigd over Stravinsky in zijn Neo-Classieke periode: “Ja, wer tommerlt denn da? Das ist ja der kleine Modernsky! Hat sich een Bubikopf schneiden lassen, Sieht ganz gut aus! Wie echt falsches Haar! Wie eine Perücke! Ganz (wie sich ihn der kleine Modernsky vorstellt), Ganz der Papa Bach!” Terzijde: nog veel later is Stravinsky ook nog volgens Schönbergs twaalftoonssysteem gaan componeren.
Tegenwoordig weten wij dat de werken van Pergolesi waar Stravinsky zich op gebaseerd heeft maar ongeveer voor de helft van Pergolesi waren. De rest was van tijdgenoten, die meenden voordeel te kunnen behalen door hun werken als van Pergolesi uit te geven: Parisotti’s “Se tu m’ami”, triosonates van Domenico Gallo, en de Concerti Armonici van de Nederlandse Graaf van Wassenaer.
Pulcinella is gecomponeerd als ballet met drie zangsolisten. Later heeft Stravinsky met de Suite een versie gemaakt zonder solisten, die ook wat korter is.
Rutger Hofman