VU-Kamerorkest home

Arnold Schönberg (1874 - 1951)

Arnold Schönberg kreeg op zijn achtste vioolles en componeerde op die leeftijd al. Pas toen hij tegen de twintig liep kreeg hij theorielessen op dit gebied van Zemlinsky, die ook zijn vriend en later zelfs familie werd (in 1910 trouwde hij Zemlinsky’s zuster). Zijn eerste opmerkelijke composities dateren van rond de eeuwwisseling: het strijksextet Verklärte Nacht en enkele liederen, waarin de invloed van grote voorgangers als Brahms, Wagner en Wolf te horen zijn.

Later ging hij terug naar Wenen om daar les te geven; Alban Berg en Anton Webern behoorden tot zijn eerste leerlingen. Hij nam afstand van het massale uitvoeringsapparaat van bv. de Gurrelieder, waarbij hij beperkingen in de bezetting compenseerde met een grote harmonische intensiteit en complexiteit.

De ontwikkeling naar atonaliteit kwam als een onvermijdelijke stap. Schönberg leefde enkele jaren in een nieuwe, mysterieuze wereld waarin geen ruimte meer was voor de vaste wetten van harmonie en ritmiek. Muziek werd: korte uitdrukkingen van extreem geconcentreerde muzikale materie. Later ontstonden weer langere instrumentale vormen, binnen het 12-toonssysteem. In de loop van de twintiger jaren keerden de meer gebruikelijke muzikale vormen terug.

In 1925 verhuisde hij naar Berlijn, maar in 1933 was hij, als jood, gedwongen die stad weer te verlaten. Hij ging naar Parijs en nam het geloof weer op dat hij in 1898 voor het Lutherse geloof had verlaten. In datzelfde jaar nog vertrok hij naar de Verenigde Staten en vestigde zich in 1934 in Los Angeles. Daar wijdde hij zich weer aan tonale systemen, maar werkte tegelijk verder aan het serialisme om daarmee meer complexe structuren te kunnen opbouwen.

Schönberg werd docent aan de universiteit van Californië in 1936, waardoor zijn compositorische productie verminderde. Na een hartaanval in 1945 gaf hij het doceren eraan en wijdde zich weer meer aan het componeren. Het was in deze periode dat zijn A Survivor from Warsaw ontstond, dat we vandaag uitvoeren.

A Survivor from Warsaw Op. 46 (1947)

In A Survivor from Warsaw (een overlevende uit Warschau), een dramatische cantate voor verteller, mannenkoor en orkest, gaat het over één episode in de moord op 6 miljoen joden door de Nazi’s tijdens de Tweede Wereldoorlog. Schönberg schreef de tekst zelf, gedeeltelijk gebaseerd op een ooggetuigenverslag van een van de weinige overlevenden van het getto van Warschau. Meer dan 400.000 joden uit dit getto stierven in vernietigingskampen of verhongerden; vele anderen kwamen om tijdens een heldhaftige opstand tegen de Nazi’s in 1943.

De tekst van de verteller wordt in het Engels uitgesproken, behalve een aantal angstaanjagende Nazi-bevelen, die in het Duits geschreeuwd worden. De rol van de verteller is een soort van Sprechstimme, de vernieuwende spreek-zangtechniek die door Schönberg ontwikkeld werd. De ritmes van de gesproken woorden zijn precies genoteerd, maar de onderlinge verschillen in toonhoogte zijn slechts bij benadering aangegeven.

“Dit meesterwerk is op grond van de artistieke noodzakelijkheid van de relatie tekst-muziek en muziek-toehoorder het esthetische muzikale manifest van ons tijdperk.” (Luigi Nono).

Ontstaansgeschiedenis

De aanleiding voor Arnold Schönbergs A Survivor from Warsaw is terug te voeren tot de Russische danseres, danspedagoge en choreografe Corinne Chochem (1907-1990) in maart/april 1947. Op 2 april 1947 stuurde Chochem de melodie en Engelse vertaling van een partizanenlied, die bedoeld waren voor een compositieopdracht aan Schönberg, in het Jiddische origineel of in een Hebreeuwse vertaling. Op 20 april 1947 deed Schönberg een voorstel voor een honorarium “for a composition of 6-9 minutes for small orchestra and chorus, perhaps also one or more soloists on the melodie [sic] you gave me”, en voegde toe: “I plan to make it this scene – which you described – in the Warsaw Ghetto, how the doomed jews started singing, before gooing [sic] to die.” Chochem antwoordde ommegaand dat ze aan zijn honorariumvoorstel niet kon voldoen, zodat het project op deze manier niet doorging, ook na een verdere toenaderingspoging van Schönberg: “If you can arrange this, then I would like to have as soon as possible the story and the translation of the text” (23 april 1947).

Begin juli 1947 kreeg Schönberg een compositieopdracht van de Koussevitzky Music Foundation, die hij aannam onder verwijzing naar het reeds begonnen orkestwerk, dat hij binnen een week of zes kon voltooien: “My original plan was to write it for a small group of about 24 musicians, one or two ‘speakers’ and a mens choir of an adequate size.”

“A Survivor from Warsaw” beschrijft een voor de Nazi-terreur typerende appèlselectie, waar ter dood veroordeelde gevangenen worden geïnspecteerd en geselecteerd; dit beschrijft een belangrijk aspect van de dagelijkse gang van zaken van het concentratiekamp. Schönberg heeft daarmee locatie en tijd weggeabstraheerd van het Warschause getto als symbolische plaats. Niet de authenticiteit van de details, maar het begrip in het algemeen is voor het lezen en begrijpen van de Vernichtung binnen de moderne cultuurgeschiedenis van belang: “Now, what the text of the Survivor means to me: it means at first a warning to all Jews, never to forget what has been done to us, never to forget that even people who did not do it themselves, agreed with them and many of them found it necessary to treat us this way. We should never forget this, even [if] such things have not been done in the manner in which I describe in the Survivor. This does not matter. The main thing is, that I saw it in my imagination.” Brief aan Kurt List, 1. November 1948

Reeksstructuur

De muzikale structuur van A Survivor is gestoeld op een 12-toonsreeks, de uitvinding waarmee Schönberg het einde van de tonaliteit wilde bezegelen.

Een twaalftoonreeks is een serie noten waar alle 12 zwarte en witte toetsen binnen het octaaf eenmaal voorkomen, en ook nog gelijk belang hebben. In de tonaliteit moet men in principe toe met 7 van de twaalf tonen, bijvoorbeeld alle witte toetsen in C groot. De reeks wordt in A Survivor op allerlei manieren gemanipuleerd: gewoon, ondersteboven, achterstevoren, in twee helften geknipt (hexachorden) die ieder weer bouwstenen leveren.1

1 Veel technische wetenswaardigheden over deze reeks en zijn twee hexachorden worden de lezer hier onthouden. Men raadplege http://www.schoenberg.at/6_archiv/music/works/op/compositions_op46_notes.htm.


In de illustratie is een tekst over toonsystemen van Schönberg zelf te zien.

Shema Yisroel

De reeks wordt zo gemanipuleerd dat aan het einde het Joodse gebed Shema Yisroel tevoorschijn komt. Dat gebed speelt een centrale rol als belijdenis van het Jodendom in tijden van vreugde en leed, als uitdrukking van lof, hoop en troost, als steun voor twijfelenden en als laatste woord van een stervende. In Schönbergs interpretatie eindigt de geloofsbelijdenis met Deuteronomium 6 – naast een mogelijke referentie aan het Protestantse gebedenboek is het, wellicht, accentuering van het metafysische moment: de opstand tegen gewelddadige onderdrukking en een “rebirth of the Jewish nation” (Timoty L. Jackson). Door Schönberg worden drie begrippen bij deze geloofsbelijdenis aan elkaar gerelateerd: de bekentenis tot het monotheïsme, de betekenis van de religie voor geassimileerde Joden en de Joodse identiteit (Arnold Schönberg aan Kurt List, 1. November 1948): “The Shema Jisroel at the end has a special meaning to me. I think, the Shema Jisroel is the ‘Glaubensbekenntnis’, the confession of the Jew. It is our thinking of the one, eternal, God who is invisible, who forbids imitation, who forbids to make a picture and all these things, which you perhaps have realised when you read my Moses und Aron and Der biblische Weg. The miracle is, to me, that all these people who might have forgotten, for years, that they are Jews, suddenly facing death, remember who they are.”

Therese Muxeneder © Arnold Schönberg Center

Tekst A Survivor from Warsaw

Tekst van Arnold Schönberg

I cannot remember ev’rything. I must have been unconscious most of the time. I remember only the grandiose moment when they all started to sing as if prearranged, the old prayer they had neglected for so many years, the forgotten creed! Ik kan me niet alles herinneren. Ik moet het grootste deel van de tijd bewusteloos zijn geweest. Ik weet alleen nog het grandioze moment toen ze allemaal begonnen te zingen alsof het tevoren was afgesproken, het oude gebed dat ze zoveel jaren hadden verwaarloosd, de vergeten geloofsbelijdenis.
But I have no recollection how I got underground to live in the sewers of Warsaw for so long a time. Maar ik heb geen idee meer hoe ik onder de grond kwam om in het riool van Warschau te leven voor zo lang.
The day began as usual: Reveille when it still was dark. Get out! Whether you slept or whether worries kept you awake the whole night. You had been separated from your children, from your wife, from your parents; you don’t know what happened to them how could you sleep? De dag begon als gewoonlijk: Reveille toen het nog donker was. Kom eruit! Of je nou sliep, of dat zorgen je de hele nacht wakkergehouden hadden. Je was gescheiden van je kinderen, je vrouw, je ouders; je weet niet wat er met ze gebeurd is, hoe zou je kunnen slapen?
The trumpets again – Get out! The sergeant will be furious! They came out; some very slow: the old ones, the sick ones; some with nervous agility. They fear the sergeant. They hurry as much as they can. De trompetten weer – Kom eruit! De sergeant zal razend zijn! Ze komen eruit; sommigen heel langzaam: de ouden, de zieken; sommigen met zenuwachtige beweeglijkheid. Ze zijn bang van de sergeant. Ze haasten zich zoveel mogelijk.
In vain! Much too much noise; much too much commotion – and not fast enough! The Feldwebel shouts: “Achtung! Stilljestanden! Na wirds mal? Oder soll ich mit dem Jewehrkolben nachhelfen? Na jutt; wenn ihrs durchaus haben wollt!” Tevergeefs! Veel te veel lawaai; veel te veel opschudding – en niet snel genoeg! De Feldwebel schreeuwt: Attentie! Stilstaan! Wordt het nog wat? Of moet ik met de geweerkolf helpen? Nou goed, als jullie het zelf willen!
The sergeant and his subordinates hit everybody: young or old, quiet or nervous, guilty or innocent. It was painful to hear them groaning and moaning. De sergeant en zijn ondergeschikten sloegen iedereen: jong of oud, rustig of nerveus, schuldig of onschuldig. Het deed pijn om ze te horen kreunen en kermen.
I heard it though I had been hit very hard, so hard that I could not help falling down. We all on the ground who could not stand up were then beaten over the head. Ik hoorde het, al was ik heel hard geraakt, zo hard dat ik omviel. Wij allen op de grond die niet konden opstaan werden toen tegen het hoofd geslagen.
I must have been unconscious. The next thing I knew was a soldier saying: “They are all dead”, whereupon the sergeant ordered to do away with us. There I lay aside halfconscious. It had become very still – fear and pain. Ik moet bewusteloos zijn geweest. Het volgende dat ik merkte was een soldaat die zei: “Ze zijn allemaal dood”, waarop de sergeant beval ons op te ruimen. Daar lag ik terzijde, halfbewust. Het was erg stil geworden – angst en pijn.
Then I heard the sergeant shouting: “Abzählen!” They started slowly and irregularly: one, two, three, four “Achtung!” the sergeant shouted again, “Rascher! Nochmal von vorn anfangen! In einer Minute will ich wissen, wieviele ich zur Gaskammer abliefere! Abzählen!” Toen hoorde ik de sergeant schreeuwen: Aftellen! Ze begonnen langzaam en onregelmatig: een, twee, drie, vier. “Attentie!” schreeuwde de sergeant opnieuw, “Sneller! Nog eens opnieuw beginnen! Over één minuut wil ik weten, hoeveel ik er bij de gaskamer aflever! Aftellen!”
They began again, first slowly: one, two, three, four, became faster and faster, so fast that it finally sounded like a stampede of wild horses, and all of a sudden, in the middle of it, they began singing the Shema’ Yisroel. Ze begonnen opnieuw, eerst langzaam: een, twee, drie, vier, werden sneller en sneller, zo snel dat het tot slot klonk als een kudde wilde paarden op hol, en plotseling, midden ertussenin, begonnen ze het “Shema’ Yisrael” te zingen.
Shema Yisroel Adonoy elohenoo Adonoy ehod. Hoor, Israel: de Here is onze God, de Here is één!
Veohavto es Adonoy eloheho behol levoveho oovehol nafsheho oovehol meodeho. Gij zult de Here, uw God, liefhebben met geheel uw hart en met geheel uw ziel en met geheel uw kracht
Vehoyoo haddevoreem hoelleh asher onohee metsavveho hayyom al evoveho. Wat ik u heden gebied, zal in uw hart zijn.
Veshinnantom levoneho vedibbarto bom beshivteho beveteho oovelehteho baddereh ooveshohbeho oovekoomeho. Gij zult het uw kinderen inprenten en daarover spreken, wanneer gij in uw huis zijt, wanneer gij onderweg zijt, wanneer gij nederligt en wanneer gij opstaat.

[Deuteronomium 6:4-6]

VU-Kamerorkest home


View My Stats