VU-Kamerorkest home
Wilhelm Friedemann Bach (1710-1784)
Sinfonia in d, Fk 65
1. Adagio –
2. Allegro e Forte (fuga)
Wilhelm Friedemann Bach
|
| Friedemann had een lui oog (links). Dat is op dit portret net te zien: de ogen hebben een verschillende kijkrichting |
Het verhaal over Friedemann klopte in grote trekken wel, maar helaas was het niet tot in alle details waar. Meneer Vermeulen baseerde zich misschien ook nog wel op de geromantiseerde levensbeschrijving uit de negentiende eeuw van de hand van A.E. Brachvogel, die Friedemann beroemd en berucht gemaakt heeft. Brachvogel schilderde Friedemann als een leegloper die voortdurend bezopen rondhing, en uit wiens handen niets dan plagiaat vloeide. Voor deze echt weerzinwekkende aantijgingen is in documenten of brieven uit die tijd werkelijk niet de geringste ondersteuning te vinden — het zijn allemaal verzinsels. Zoals wel uit zijn levensloop hieronder zal blijken was Friedemann ongetwijfeld een dwarskop, met misschien licht paranoïde trekjes, maar een Brachvogel heeft hij zeker niet verdiend.
Voor de Eerste Wereldoorlog was Martin Falck de onbetwiste Friedemann-specialist en biograaf. Hij heeft de vloer aangeveegd met de Brachvogel-mythen, maar die blijken toch zeer hardnekkig te kunnen zijn. De hedendaagse Friedemann-specialist is Peter Wollny, die een Gesamtausgabe van Friedemanns werken aan het voorbereiden is. Dat is een leuke taak: in 1999 is het archief van de Berlijnse Singakademie, dat in 1945 verloren heette te zijn gegaan, teruggevonden in de Oekraïne, met veel autografen van Friedemann, en om te beginnen al twee nog onbekende fluitsonates!
Friedemann was de oudste zoon van Johann Sebastian Bach. De meeste mensen die ooit van Friedemann hebben gehoord, kennen hem wegens Papa’s leergang Klavierbüchlein vor Wilhelm Friedemann. Het lijkt me behoorlijk zuur als je een geweldige componist bent, maar de mensen kennen je je hele leven, en ook eeuwen daarna nog, vooral doordat je een nog beroemdere en genialere componist als vader hebt. Onder fluitisten zijn de duo’s voor fluiten in elk geval beroemd, maar Friedemanns oeuvre is zo eigen en zo vaak zo prachtig dat hij op eigen houtje een beroemd componist verdient te zijn.
Muzikale betekenis
Friedemann en zijn enkele jaren jongere broer Carl Philipp Emanuel werkten in een bijzonder interessante periode in de muziekgeschiedenis. Toen ze als componist tot rijpheid geraakten, was Barok als muzikale stroming voltooid met componisten als Handel, Johann Sebastian en Vivaldi; waar de muziek heenging lag heel erg open. De jongere generatie wilde naast of in plaats van de strakke vormen van de Barok een veel wildere expressie; het onverwachte, de gril, het de luisteraar op het verkeerde been zetten werden belangrijke kenmerkende elementen van hun muziek, die met Empfindsame Stil werd aangeduid, en in heftige snelle delen ook als Sturm und Drang. Uiteraard was deze grilligheid niet het doel van de muziek, maar het middel om het doel te bereiken: de diepste expressie van persoonlijke emotie, eigenlijk al een heel Romantische gedachte! Maar, de tijd was nog niet rijp voor de Romantiek; eerst zou de periode der Weense Klassieken nog komen met Haydn en Mozart.In de werken van Friedemann vinden we een bijzondere ambiguïteit. Enerzijds is hij volstrekt meester in de oude vormen: hij schrijft technisch perfecte fuga’s en suites die sterk aan Johann Sebastian doen denken, maar anderzijds is hij een onmiskenbare vertegenwoordiger van de Empfindsame Stil, zoals in zijn clavecimbelconcerten. Hij heeft bovendien werken gecomponeerd in de tegelijk in zwang gerakende Style Galante: hoofs, bijna maniëristisch, lichtvoetig, charmant. Twee van de triosonates voor twee fluiten en continuo zijn hier voorbeelden van.
De echte betekenis van Friedemann als componist ligt uiteindelijk in de kwaliteit van zijn werken. Onder de muziekliefhebbers die zijn werk goed kenden is daar nooit twijfel over geweest (Mozart en Brahms hebben stukken van hem bewerkt); hij was een oorspronkelijke geest die veel stukken met grote diepgang heeft gemaakt, en verdient veel grotere bekendheid.
Leven
Friedemann was een begenadigd organist en clavecinist. Op zijn 23e verliet hij het ouderlijk huis voor een (slechtbetaalde) baan als organist van de Sophienkirche in Dresden. Hij hoefde alleen op zondagavond en maandagochtend in de kerk te spelen, zodat hij veel tijd had om kamermuziek en orkestwerken te componeren. Dresden was destijds met een bruisend Katholiek Hof een centrum van cultuur waar veel beroemde musici werkten, maar voor zover we kunnen nagaan liet het Hof zich weinig aan Friedemann gelegen liggen.
In 1746 lukte het Friedemann om een betere betrekking te krijgen in het protestantse Halle: hij werd organist en Director Musices, een baan die leek op die van Johann Sebastian in Leipzig. Conflicten met de bureaucratie leidden ertoe dat Friedemann in 1764, na een aantal pogingen om elders een aanstelling te krijgen, impulsief opzegde, en verder als kleine zelfstandige door het leven is gegaan. Weliswaar heeft hij nog regelmatig geprobeerd om elders een aanstelling te krijgen, maar dat is nooit meer gelukt. Een leven in toenemende armoede was het gevolg. Hij was ook niet heel gewiekst; hij had bijvoorbeeld geen zin om les te geven aan ongetalenteerde rijkeluiszoontjes, en concerten organiseren was ook omslachtig. Hij leefde mede van het slinkende kapitaal van zijn vrouw en van het verkopen van manuscripten uit de erfenis van Johann Sebastian.
In 1770 (op een leeftijd dat we tegenwoordig serieus aan de VUT zouden gaan denken) verhuisde Friedemann, opnieuw impulsief, met zijn gezin naar Berlijn om daar een nieuw bestaan op te bouwen. Hij werd enthousiast binnengehaald; hij was de beste organist ter wereld, en zijn werk viel in de smaak bij de in Berlijn oppermachtige fanclub van “ouderwetse” muziek (de fluitspelende koning Friedrich der Grosse en zijn zuster Anna Amalia hielden niet van nieuwerwetsigheden, zoals de Rococo, waar het 25 jaar jongere Bach-broertje Johann Christian een van de uitvinders van was). Acht jaar later had Friedemann zich het leven ook hier zo goed als onmogelijk gemaakt. Componist en hofmuzikant Kirnberger, die eerst Friedemann enthousiast gesteund had (ook financieel!), schrijft over een mislukte intrige. Friedemann zou zich bij Anna Amalia vervoegd hebben om Kirnberger zwart te maken, in de hoop dat hij diens baan zou kunnen overnemen. Gevolg was dat juist Friedemann volstrekt in ongenade is gevallen. We hebben alleen dit ene verslag van deze gebeurtenis, en we kunnen alleen maar hopen dat Kirnberger zijn ruzie met Friedemann gekleurd heeft weergegeven; anders is dit een echte hufterstreek, die terecht is afgestraft. In volstrekte armoede is Friedemann op hoge leeftijd in Berlijn gestorven.
Sinfonia in d
De herkomst van de Sinfonia in d voor 2 fluiten, strijkers en continuo is voorwerp voor veel speculaties geweest. Het stuk is, wegens de grote kwaliteit, wel eens aan Johann Sebastian toegeschreven geweest (arme Friedemann!), maar er is een autograaf die het auteurschap van Friedemann onomstotelijk vastlegt. Er is ook veel gespeculeerd over de ontstaansomstandigheden; het zou een introductie-sinfonia geweest zijn bij een cantate, en dan misschien wel bij de zoekgeraakte Berlijnse felicitatiecantate voor een verjaardag van koning Friedrich; of het zou een torso zijn met een ontbrekend eerste deel; of het zou, wegens het ernstige karakter, een begrafeniscompositie zijn.
Zowel Falck als Wollny vindt, op grond van handschrift- en papierkenmerken, dat deze Sinfonia in de Dresden-periode thuishoort. Wollny heeft bovendien ontdekt dat in die tijd in Dresden veel stukken van deze vorm door andere componisten zijn geschreven: een inleidend Adagio gevolgd door een contrapuntisch Allegro. Dit soort stukken werd in de Hofkirche in de Katholieke Mis als instrumentaal graduale (misgezang) opgevoerd. Dit wijst dan toch weer op een band tussen Friedemann en het Katholieke Hof!
In het eerste deel, Adagio, spelen 2 fluiten een langzame, dissonantrijke melodie in imitatie (een canon op verschillende toonhoogten), terwijl het strijkorkest klagend begeleidt. De fluitpartij herinnert aan de mooiste langzame delen uit de fluitduetten. Friedemann heeft veel composities voor fluit gemaakt. Wellicht komt dat doordat in Dresden een paar superbe fluit-virtuozen rondliepen: Quantz, de latere fluitleraar van Friedrich der Grosse, en ene Buffardin. En later, in Berlijn, was Quantz er ook, en de fluit was natuurlijk het instrument van de koning. Quantz kende Friedemanns werk in elk geval; Quantz heeft in zijn Solfeggi, het oefenboek voor de koning, duetten van Friedemann opgenomen.
In het tweede en laatste deel hebben de fluiten geen eigen partij meer. Het is
een fuga met een onmiskenbaar Sturm und Drang-thema waar het accent op een
korte noot valt. Ook dit deel is een prachtig bewijs van Friedemanns
meesterschap. De fuga is doorwrocht in de allerbeste Johann
Sebastian-traditie, maar ondanks de strenge regels waar een fuga aan moet
voldoen is het een enorm fantasierijk stuk, waar bijzondere tegenstemmen
afwisselen met verrassende wendingen.
Rutger Hofman
maart 2005