Nederland onderschat belang softwareontwikkeling

Vijftien experts op het gebied van softwareonderzoek
luiden de noodklok

Uit het advies van de Commissie van Wijzen Ices/Kis blijkt
dat onderzoeksprojecten die zich toeleggen op
softwareontwikkeling niet hoeven te rekenen op een
BSIK-subsidie. Als het kabinet dit advies overneemt,
betekent dat een ramp voor Nederland-kennisland.  Vijftien
experts tekenen protest aan, vooral tegen de argumentatie
van de subsidieafwijzing. Het is onbegrijpelijk, stellen
zij, dat het kabinet het risico neemt dat Nederland op
het gebied van software een ontwikkelingsland wordt.

Nederland moet kennisland worden. Klassieke industrien
zoals vliegtuigbouw, luchtvaart en scheepsbouw verdwijnen
in hoog tempo, en daarvoor moeten andere activiteiten in
de plaats komen. De keuze voor een kenniseconomie ligt
voor de hand.  Vrijwel elke kennis en kunde wordt
tegenwoordig vastgelegd in software en volgens vele
indicatoren is software dan ook een belangrijke bron van
innovatie en economische groei. Was het vroeger land,
later werkkracht, daarna kapitaal, nu is informatietechnologie
de belangrijkste productiefactor. Software vormt de basis
voor zeer veel onderzoek in bijna alle gebieden van
wetenschap: van sterrenkunde tot rechtswetenschappen,
van DNA-onderzoek tot kunstgeschiedenis. Software vormt
ook de basis voor zeer veel economische activiteit: van
financile dienstverlening tot oliewinning, van mobiele
telefonie tot vrachtvervoer.  Het is niet overdreven te
stellen dat software op dit moment d innovatiemotor is.
Met een variatie op een bekend liedje: Software makes
the world go round.

Gezien de centrale rol van software in onderzoek en
economie ligt het dus voor de hand dat software en software
engineering een vooraanstaande plaats innemen bij
investeringen in Nederland-kennisland. Wie schetst echter
onze verbazing, als op het recentelijk gehouden
ICT-kenniscongres onze minister van Onderwijs meldt dat
Nederland eigenlijk te klein is voor eigen ICT-onderzoek.
Het idee is dat het voldoende is om resultaten van
buitenlands onderzoek over te nemen en dat we daarmee de
kachel in Nederland-kennisland kunnen laten branden.

Dit Calimero-denken van de overheid vraagt om een weerwoord.
In 1998 was Nederland de op vier na grootste IT-spender
van Europa en dus in termen van investeringen absoluut
niet klein.  In de toptien stonden toen al Shell, ING
Groep en Philips, terwijl ABN Amro op plaats elf stond.
Een van de redenen dat Philips Medical Systems kort
geleden het concurrerende onderdeel van Marconi overnam,
en niet andersom, is nu juist dat Philips geavanceerde
software voor MRI-scanners produceert. Dit is het resultaat
van veeljarige investeringen in software.  Omgekeerd,
staat Hagemeyer door onoordeelkundige investeringen in
software op de rand van het faillissement en overname.

Investeringen in software zijn belangrijk voor onze
economie en zijn op de lange termijn alleen mogelijk als
er voldoende expertise op het gebied van software
engineering in Nederland is en blijft. Via kennisimport
is het alleen maar mogelijk om expliciete kennis te
bemachtigen: de kennis die is vastgelegd in formele
rapporten en publicaties. De informele kennis, de kennis
in hoofden van mensen, blijft achter in het land van
herkomst en zonder deze kennis kunnen we nooit concurreren.
De benodigde expertise kan alleen verkregen worden door
aanzienlijke nationale investeringen in software-engineeringonderzoek.

Slecht voorteken

Een ander slecht voorteken voor het software-engineeringonderzoek
in Nederland is dat het ministerie van Economische Zaken
bezig is zijn subsidie-instrumentarium te reorganiseren.
Meer specifieke regelingen (onder meer ICT-doorbraakprojecten)
worden weer samengevoegd tot een enkele regeling waarin
meerdere disciplines concurreren. Jaren geleden zijn er
veel problemen geweest rond de oude - inmiddels gelukkig
herziene - WBSO-regeling (Wet Bevordering Speur- en
Ontwikkelingswerk): het was toen feitelijk onmogelijk om
subsidie voor softwareprojecten te krijgen omdat elke
activiteit op dit gebied werd aangemerkt als economische
activiteit.  Met deze historie in gedachten moeten we
het ergste vrezen voor de nieuwe regeling. Het blijkt
mogelijk om in sectoren als biotechnologie, energie of
telecommunicatie aan te tonen dat er onderzoek nodig is
om een bepaalde praktische vraagstelling op te lossen.
Sectoren die overigens zelf ook vitaal van software
afhankelijk zijn.  Het blijkt echter vrijwel onmogelijk
om de noodzaak voor onderzoek aan te tonen voor ICT-projecten
in het algemeen en voor software-engineeringprojecten in
het bijzonder. Zodra er een regel software geschreven
wordt, ontstaat bij de beoordelende instanties de indruk
dat het om een commercile activiteit gaat.

De meest recente impuls voor de kenniseconomie is het
uit de aardgasbaten bekostigde BSIK-programma (Besluit
Subsidies Investeringen Kennisinfrastructuur) van ruim
800 miljoen euro.  We moeten het ergste vrezen voor
software-engineeringonderzoek in Nederland als we de
recente onthullingen over de nog geheime (maar breed
beschikbare) beoordeling van de BSIK-projecten door de
Commissie van Wijzen lezen. De meeste ICT-projecten die
daar een positieve beoordeling krijgen zitten dicht tegen
de hardware aan en software-engineering als gebied wordt
in het geheel niet gehonoreerd. De projecten die het
beste scoren vragen vaak tot wel 80 procent subsidie voor
hardware. Hardware die nu geavanceerd is en dus duur,
maar over vier jaar alweer is ingehaald door de ontwikkelingen
en dan waardeloos is. De hardwarelobby heeft duidelijk
een sterke invloed op de besluitvorming, maar meer spullen
kopen is niet de weg naar innovatie. Net zoals de al
eerder genoemde superieure hardware van Marconi zijn geld
niet oplevert zonder de software van Philips Medical
Systems. De kosten en productietijd van een modale
televisie of een high-end auto worden tegenwoordig voor
een steeds groter deel bepaald door de kosten en
productietijd van de daarvoor benodigde software.

Beoordeeld

De BSIK-voorstellen zijn beoordeeld door de KNAW en het
CPB.  De KNAW (Koninklijke Nederlandse Academie van
Wetenschappen) bestaat uit de top-200 wetenschappers in
Nederland, die de overheid adviseren op wetenschapsgebied.
Het CPB (Centraal Planbureau) adviseert de overheid door
middel van macro-economische analyses.

Het enige voorstel op het gebied van software engineering
dat in BSIK is ingediend is Presto (zie kader) en heeft
betrekking op de constructie en evolutie van hoogwaardige
softwarecomponenten en web services. De KNAW is hier zeer
positief over, maar het CPB miskent het belang van software
engineering volledig en gebruikt aantoonbaar onjuiste
argumenten. Zo stelt het CPB in zijn beoordeling dat rond
het onderwerp softwarecomponenten de relevante multinationals
in de marktvraag voorzien. Deze stellingname is onjuist:

 -De relevante multinationals beschikken ook niet over
 alle benodigde kennis op dit gebied. Er zijn nog zeer
 veel vragen op te lossen over het koppelen van componenten,
 over evolutie en onderhoud van componenten, over het
 koppelen van componenten en web services aan legacysystemen,
 en meer in het algemeen over beheer, onderhoud en
 kwaliteitsbewaking van dergelijke systemen.

 -Enkele weken geleden is Microsoft-oprichter Bill Gates
 naar Nederland gekomen om met een aantal hoogleraren
 software engineering te spreken over gezamenlijk onderzoek.
 Gates gaf als een van de redenen voor dit gesprek dat
 samenwerking met Amerikaanse topuniversiteiten te eenzijdig
 is.  Overigens nam Gates uiteraard het standpunt in dat
 Microsoft geen subsidie-instantie is. Ook op multinationaal
 niveau faalt de markt.

 -De Nederlandse markt stelt specifieke eisen ten gevolge
 van wetgeving en lokale werkwijzen. Hieraan kunnen
 multinationals minder goed voldoen dan bedrijven die
 hun wortels in de Nederlandse bedrijfscultuur hebben.
 Nederlandse bedrijven investeren echter niet in de daarvoor
 benodigde innovatie.

Kortom, de markt faalt compleet en de overheid zou hier
kunnen stimuleren maar doet dat niet. Verder suggereert
het CPB net als onze minister van Onderwijs dat het
voldoende zou zijn om resultaten van software-engineeringonderzoek
van Amerikaanse universiteiten over te nemen.  Nu doet
het curieuze feit zich voor dat in een rapport uit 2001
het CPB zelf uitvoerig gerapporteerd heeft over een wet
van verminderde kennisoverdracht waaruit blijkt dat er
een negatief verband bestaat tussen kennis en fysieke
afstand: na 1200 kilometer heeft kennis al de helft van
zijn waarde verloren. Alleen al om deze reden heeft
kennisimport weinig zin. Hoe is het toch mogelijk dat
het CPB zichzelf hier zo tegenspreekt?

Dieptepunt

Het dieptepunt wordt bereikt als we constateren dat er
in BSIK geen ruimte is voor stimulering van software
engineering terwijl er zelfs voorstellen voor honorering
worden voorgedragen die zowel van KNAW als CPB een
negatieve beoordeling krijgen.  Wat is hier aan de hand?

Een Commissie van Wijzen die geen enkele expertise op
het gebied van software engineering heeft maar toch de
adviezen van experts in de wind slaat en oordeelt met
een nauwkeurigheid van tienden achter de komma zonder
fundering: is dat een commissie van wijzen? Een CPB dat
de beoordeling van BSIK-voorstellen zo belangrijk acht
dat ze deze taak aan junior-consultants van het Amerikaanse
adviesbureau Rand Corporation heeft uitbesteed. Logisch
dat deze juniors niets weten van de wet van de verminderde
kennisoverdracht - in Amerika speelt dit helemaal niet
want daar ontwikkelt men zijn kennnis zelf. Deze gang
van zaken tekent wel de mentaliteit ten opzichte van
onderzoek dat van nationaal belang is: zelfs de beoordeling
ervan wordt uitbesteed.

De aanvraagprocedure voor BSIK heeft universitair Nederland
geruime tijd lam gelegd. Er zijn 67 voorstellen ingediend
die als gevolg van de opgelegde eisen honderden paginas
dik waren.  Een ruwe schatting leert dat de diverse
consultancyrapporten en de beleidsvoorbereiding, het
samenstellen van de onderzoeksconsortia, het schrijven
en het beoordelen van deze voorstellen een kleine 20
miljoen euro heeft gekost. Voor dit bedrag hadden 120
promovendi gedurende vier jaar onderzoek kunnen doen.
Een vernietiging van kapitaal en talent van circa 480
mensjaren. Dat er veel werk in onderzoeksvoorstellen
gestoken moet worden is nog te begrijpen, maar dat de
beoordeling van deze voorstellen dan zo tekortschiet,
gaat elk begrip te boven.

Hoe moet dit nu verder? Er zijn risicos verbonden aan de
huidige situatie waarin software engineering in Nederland
niet serieus wordt genomen:

 -Outsourcing van arbeidsintensief (software)werk naar
 lagelonenlanden is onvermijdelijk, maar dan moeten we
 wel de expertise opbouwen om outsourcing te kunnen
 definiren en bewaken. Zonder deze kennis zullen we niet
 eens tot grootschalige outsourcing in staat zijn.

 -Outsourcing van kennisintensief werk naar kennislanden
 waardoor het kennisniveau in eigen land afneemt.

 -Nederlands talent wordt weggezogen naar kennislanden.
 Er is nu al een uitstroom gaande en diverse onderzoekers
 overwegen een dergelijke stap.

 -Multinationals zoals, bijvoorbeeld, Philips dreigen
 zelfs al hun onderzoek helemaal uit Nederland weg te
 halen.

 -Nederland ziet geen kans om bij te blijven in de
 software-engineeringmarkt. De concurrentie met opkomende
 economien zoals China, India, Rusland en de Oekrane wordt
 steeds moeilijker.

Al deze ontwikkelingen zijn schadelijk voor de ambitie
om kennisland te worden en zullen negatieve economische
gevolgen hebben.

Ontwikkelingsland

Vele landen zijn ons al voorgegaan in het onderkennen
van het vitale belang van software engineering. In de VS
pleit het Pitac-rapport (the Presidents Information
Technology Advisory Committee) om in elk gesubsidieerd
project als verplicht onderdeel software-onderzoek op te
nemen. In een verklaring voor de senaatscommissie voor
fundamenteel onderzoek stelt Pitac-lid Joe Thompson:

 1. -We have neglected to fund software research commensurate
 with and concomitant to funding of hardware acquisitions.

 2. -We are reaping the fruits of the last decades research
 in information technology while neglecting research in
 this decade.

Hij bevestigt ook onze eerdere opmerking over de verschuiving
in de richting van het steeds toenemende belang van
software:  investeringen in high-end hardware worden voor
slechts 20 procent benut door het ontbreken van adequate
software en het ontbreken van softwarekennis om deze te
maken.  Hardware heeft echter een sterke lobby van
verkopers achter zich, terwijl de lobby voor software
veel diffuser is.

Naar aanleiding van Pitac gaf Japan te kennen ook te gaan
investeren, met als expliciet doel de VS voorbij te
streven.  Canada heeft in een programma met een omvang
groter dan het complete BSIK-budget bijna duizend nieuwe
academische posities gecreerd voor onderzoek op het gebied
van informatietechnologie.  Duitsland, Ierland en vele
andere landen hebben het belang van fundamenteel onderzoek
in de software engineering ook onderkend en investeren
in nationaal software-engineeringonderzoek.

De vraag waar we voor staan is deze: wordt Nederland een
land van softwareontwikkeling of een ontwikkelingsland
op het gebied van software? Nederland heeft een lange
traditie op het gebied van software engineering zowel
qua onderzoek als economische activiteit. Er liggen
duidelijke kansen, maar die moeten we dan wel benutten.
Het is de hoogste tijd voor een routekaart voor onderzoek
en industriebeleid op het gebied van software engineering.
De manier waarop subsidies op dit moment worden verdeeld
laat maar n mogelijkheid open: de Nederlandse overheid
kiest voor Nederland als ontwikkelingsland op het gebied
van software. Een kennixland voor software.


Ondertekenaars:

Mehmet Aksit (hoogleraar software engineering, UT); Jan
Bergstra (hoogleraar software engineering, UvA); Jan
Bosch (hoogleraar software engineering, RUG); Thiel Chang
(manager R&D PinkRoccade, PinkRoccade); Arie van Deursen
(projectleider CWI, universitair hoofddocent TUD); Paul
Klint (hoofd afdeling software engineering CWI, hoogleraar
software engineering UvA); Tobias Kuipers (CTO Software
Improvement Group); Doaitse Swierstra (hoogleraar
programmatuur, UU); Chris Verhoef (hoogleraar informatie-
systemen, VU); Eelco Visser (universitair docent
programmatuur, UU); Fred von DeWall (hoofdeconoom, ING
Groep); Hans van Vliet (hoogleraar software engineering,
VU); Pum Walters (academische relaties, Microsoft
Nederland); Bruce Watson (hoogleraar softwareconstructie,
TUE); Marjo Wildvank (directeur, Software Improvement
Group).

Meer weten over de wondere wereld van ICT 
in Jip en Janneke taal? Ga dan naar de
knipselkrant van Chris Verhoef

De ondertekenaars zijn allen vanuit universiteit of
bedrijf actief op het gebied van software engineering.


Presto

Het enige voorstel op het gebied van software engineering
dat in BSIK is ingediend is Presto. Het voorstel heeft
betrekking op de constructie en evolutie van hoogwaardige
softwarecomponenten en web services. De volgende partijen
zijn erin vertegenwoordigd:

Centrum voor Wiskunde en Informatica (CWI), Vrije
Universiteit (VU), Universiteit van Amsterdam (UvA),
Universiteit Utrecht (UU), Nederlands Wetenschappelijk
Onderzoek (NWO), Vanenburg Group, Software Engineering
Research Centre (Serc), PinkRoccade, Atos Origin, Software
Improvement Group (SIG), Microsoft Research (MSR). Er
vindt in dit kader samenwerking plaats met Elsevier
Science, Belastingdienst en het ministerie van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid (SZW).

Deze tekst is copyright SDU.  Niets van deze uitgave
mag zonder schriftelijke toestemming van de uitgever
worden overgenomen of worden gepubliceerd.