Regering is blind voor internationaal karakter universiteiten


Offshore outsourcing is een trend die niet is tegen te houden.
Hoe moeten universiteiten en HBO-instellingen hierop reageren?
Volgens Roel Wieringa verandert Nederland van een internationaal
gericht handelsland in een natie van navelstaarders. Dit is
de achtste aflevering in een serie. Eerdere artikelen verschenen
25 februari, 4, 11, 18, 25 maart, 1 en 8 april.

De discussie over offshoring laat een opmerkelijke consensus
zien onder opleiders, behalve Daan Rijsenbrij. Het positieve
effect van de bijdrage van Rijsenbrij is dat het de schrijvers
van daaropvolgende bijdragen tot een duidelijke stellingname
heeft gedwongen. De inhoud van zijn bijdrage is overigens door
Pieter Adriaans en andere deelnemers aan de discussie vakkundig
tot snippers vermalen.

De offshoringdiscussie vindt plaats in een context waarin een
dalend aantal Nederlandse studenten informatica of informatiekunde
aan de universiteit verkiest te studeren, en het aantal
Nederlandse promovendi op deze gebieden nog veel sterker is
gedaald. Tegelijkertijd is het aantal buitenlandse promovendi
op dit gebied zo sterk gegroeid dat zij nu in de meerderheid
zijn, en het aantal buitenlandse aanmeldingen voor een
master-studie op dit gebied is groeiende. De groei van het
aantal buitenlandse promovendi en master-studenten juich ik
toe; de daling van de interesse van Nederlandse scholieren en
studenten voor de informatica en informatiekunde vind ik, met
vele anderen, zorgwekkend. Zoals onder anderen Brinksma, Van
Vliet en Verhoef ook al hebben aangegeven, het Nederlandse
bedrijfsleven staat op dit moment weer te springen om academisch
geschoolde informatici en informatiekundigen. Maar Nederlandse
scholieren en hun ouders hadden dit vijf jaar geleden niet
verwacht. Het bedrijfsleven staat nu voor de keuze: werk naar
elders te verplaatsen, waar wel goed geschoolde werknemers
aanwezig zijn, goed geschoolde werknemers uit het buitenland
naar Nederland te laten komen, of slecht plaatsbare Nederlandse
hoog opgeleiden werklozen om te scholen tot informatici.

Hoeveel manieren zijn er om de softwarecrisis in stand te
houden? Ik zou de Nederlandse scholieren en hun ouders (er
zijn, om verklaarbare redenen, ongeveer twee keer zoveel ouders
als leerlingen op universitaire voorlichtingsdagen) willen
oproepen zich minder zorgen te maken over de toekomst zoals
die vandaag wordt gezien. Hoe de wereld er over vijf jaar
uitziet is moeilijk te voorspellen, maar een student die zijn
competenties ontwikkeld heeft door een interessante academische
studie te volgen, is uitstekend op die onzekerheid voorbereid.

Xenofobie

Verbreden we onze blik tot wat er buiten informaticaland
gebeurt, dan zien we dat de offshoringdiscussie plaatsvindt
in een context waarin Nederland van een internationaal gericht
handelsland verandert in een natie van navelstaarders die
zich, met de rug naar de toekomst, aan de verworvenheden van
het verleden blijven vastklampen. Buitenlanders moeten
wegblijven, werk moet hier blijven. De regering werpt
bureaucratische barrires op tegen buitenlandse werknemers en
is daarbij blind voor het feit dat moderne universiteiten al
lang deel zijn van een nieuwe multinationale gemeenschap van
intellectuelen, burgers van verschillende landen, die korter
of langer in vele landen gewerkt hebben, internationaal
georinteerd zijn en Engels als voertaal gebruiken. Alleen al
mijn eigen onderzoeksgroep bestaat uit onderzoekers met zeven
verschillende nationaliteiten, en die delen de gang met
onderzoekers uit nog eens vijf andere landen.

Ik vind het beschamend wanneer mijn nieuwe medewerkers met
een woud aan bureaucratische regels geconfronteerd worden die
er op gericht zijn om zoveel mogelijk buitenlanders te weren.
Nederland is een handelsland. Naast een centrale plaats in
internationale goederen- en geldstromen moeten we ook onze
goede plaats in internationale kennisstromen behouden en verder
uitbouwen. Dat verdraagt zich slecht met een xenofobische
houding ten opzichte van buitenlanders die hier komen werken
of ten opzichte van werk dat naar het buitenland verplaatst
wordt. Offshoring is geen bedreiging, het is een kans, zoals
Wortmann en Ribbers in deze discussie ook hebben aangegeven.
Door werk uit te voeren op plaatsen waar dit goed en
kosteneffectief gedaan kan worden, verbeteren onze producten.
Op universiteiten creert dit de kans relevant onderzoek te
doen naar gedistribueerde software-ontwikkeling, gedecentraliseerd
beheer van software, specificeren en testen in een gedistribueerde
en multiculturele context etcetera. En door goed onderzoek op
dat gebied kunnen wij relevant onderwijs geven, waardoor het
Nederlandse bedrijfsleven op dit gebied kan excelleren.

Misvatting

Kijken we nu wat gedetailleerder naar de discussie over de
rol van universitaire informatica-opleidingen in offshoring,
dan zien we het volgende. Academisch software-engineeringonderzoek
heeft zich onder meer beziggehouden met het automatiseren van
programmeren. Dat is gelukt voor sommige type programmas
(bijvoorbeeld Raphsody van iLogix kan embedded software
genereren uit UML-diagrammen) maar lang niet voor alle.

Nu is er een tweede manier om de kosten van het bouwen van
een programma drastisch te verlagen: offshoring. (Of de kosten
daarvan blijvend laag zijn moet overigens blijken.) Zoals door
vele collegas al is opgemerkt, verandert dat niets aan de
relevantie van de onderwerpen die op universiteiten onderzocht,
en dus ook onderwezen worden: requirements engineering,
softwarespecificatie, softwarearchitectuur, softwarekwaliteit,
softwareverificatie etcetera. Wel voegt het nog een onderwerp
toe, namelijk hoe gedistribueerde softwareontwikkeling het
beste te organiseren is. Dat is interessant voor ons onderzoek
en omdat aan universiteiten wetenschappelijk onderwijs gegeven
wordt, levert dat onderzoek weer interessant onderwijs op.

In dit kader is het overigens niet zinvol om te vragen welke
vaardigheden niet meer in Nederland onderwezen moeten worden,
zoals Rijsenbrij doet. De situatie is te weinig veranderd om
andere competenties van projectmedewerkers te vragen. Waar
het om gaat is te vragen welke projecten, of projectdelen,
het beste elders uitgevoerd kunnen worden.  Kortom, het is
een misvatting te denken dat door offshoring software engineering
irrelevant is geworden.

Het is ook een misvatting te denken dat universitair geschoolde
informatici opgeleid worden om programmeurs te worden.
Informaticastudenten kunnen programmeren, omdat dat noodzakelijke
voorkennis is voor de kerncompetenties van softwarespecificatie,
ontwerp en verificatie. Een universitair opgeleide informaticus
heeft een hoger reflectieniveau dan de programmeur in India
die volgens bekende algoritmes een softwarecomponent bouwt.
Dat hogere reflectieniveau is nodig om te bepalen welke
componenten gebouwd of gekocht moeten worden, hoe die componenten
moeten samenhangen, welke architectuur het gehele systeem moet
hebben en hoe dit op de rest van de infrastructuur aansluit.

De programmeurs die bang moeten zijn dat hun baan naar India
verplaatst zal worden, werken bij de grote softwarebouwers
zoals Oracle en Microsoft - bedrijven die in Nederland nooit
software hebben laten ontwikkelen.  Nederlandse informatici
komen vooral bij gebruikersbedrijven terecht, niet bij
softwareproductiebedrijven. Bij die gebruikersbedrijven nemen
ze beslissingen over een complexe infrastructuur, waarbij veel
technische kennis nodig is en inzicht in de samenhang tussen
die infrastructuur met bedrijfsprocessen en bedrijfsstrategie.
Beveiliging wordt hier steeds belangrijker. Het is mij een
raadsel waarom Rijsenbrij denkt dat dit vak wel afgeschaft
kan worden. Officieren van justitie die hun pc bij de vuilnisbak
zetten, digitale identiteiten die gestolen worden (in de VS
drie miljoen keer per jaar), complexe bedrijfsnetwerken waarin
duizenden gebeurtenissen per dag op mogelijke inbraken kunnen
wijzen: de maatschappij heeft een sterk groeiende behoefte
aan hoog opgeleide informatici die een digitale beveiliging
in samenhang met sociale en fysieke beveiliging kunnen ontwerpen.


Informatiekunde

Kijken we nu vervolgens naar de informatiekunde-opleidingen.
De universiteit Twente is in 1992 als eerste universiteit in
Nederland begonnen met een opleiding bedrijfsinformatietechnologie,
die zowel bedrijfskunde als informatica plus een integratiecomponent
bevat.  Tegenwoordig hebben de meeste universiteiten een
dergelijke opleiding, meestal onder de naam informatiekunde.
Collegas Ribbers en Overmars merkten terecht op dat door de
opkomst van offshoring het werk voor informatiekundigen alleen
maar toeneemt. Overheid, banken, verzekeraars en andere
gebruikersorganisaties hebben er een voorkeur voor om software
te kopen. Bij organisaties met enkele duizenden medewerkers
is dit een complex probleem; bij organisaties met enkele
tienduizenden medewerkers is het een onontwarbare kluwen. In
alle gevallen is er sterke behoefte aan informatiekundigen
die een bedrijfsstrategie kunnen analyseren op IT-consequenties,
die bedrijfsprocessen kunnen analyseren, software-eisen kunnen
opstellen, kosten/batenanalyses kunnen maken, IT-governancestructuren
kunnen ontwerpen en IT-audits kunnen faciliteren.  Samen met
andere universiteiten werkt de universiteit Twente hard aan
deze onderwerpen. Dit wordt direct vertaald in onderwijs dat
inspeelt op hedendaagse gedistribueerde en gedecentraliseerde
software-ontwikkeling, -implementatie en -beheer.

Hierbij moeten we ons realiseren dat vooral het goed begrepen
routinewerk in ontwikkeling en beheer wordt uitbesteed.
Hoog-niveau-architectuurbeslissingen die veel resources
betreffen en een groter risico bevatten dan de routinebeslissingen,
worden niet uitbesteed.  Voegen we dit bij het reeds eerder
opgemerkte feit dat er bij offshoring nog veel hogere eisen
aan softwarespecificatie en -testen worden gesteld, dan is
duidelijk dat offshoring voor informatiekundigen werk oplevert.

Daar komt bij dat software verschilt van andere producten
omdat het een puur symbolische interface heeft. Dat betekent
dat zowel de eisen aan de software als de architectuur waarbinnen
het aan andere systemen en aan bedrijfsprocessen gekoppeld
wordt, een grote semantische component hebben.  IT-architecten
brengen een groot deel van hun tijd door met het definiren
van woorden. Die woorden benvloeden de leefwereld van de
gebruikers, omdat ze bepalen in welke termen zij over hun werk
nadenken. Het definiren van die semantiek kan niet ver weg in
een ander land gebeuren maar moet in nauwe samenspraak met
die gebruiker plaatsvinden. Het uitbesteden van de bouw van
software is iets anders dan het uitbesteden van de bouw van
hardwarecomponenten omdat softwarebouw moet werken binnen de
grenzen van de semantiek zoals die in de sociale context van
de software gebruikt wordt.  Hoe groter de rol van die semantiek,
hoe minder offshoring een succesvol businessmodel zal zijn.

Prof. dr. Roel Wieringa (http://www.cs.utwente.nl/~roelw) is
hoogleraar Informatiesystemen aan de Universiteit Twente en
verantwoordelijk voor de informatiekunde-opleiding
Bedrijfsinformatietechnologie. (Roel Wieringa)

Weekblad 2005, week 15

Meer weten over de wondere wereld van ICT 
in Jip en Janneke taal? Ga dan naar de
knipselkrant van Chris Verhoef

Deze tekst is copyright SDU.  Niets van deze uitgave
mag zonder schriftelijke toestemming van de uitgever
worden overgenomen of worden gepubliceerd.