Velen willen hun eigen hobby doorzetten

Offshore outsourcing is een trend die niet is tegen te houden.
Hoe moeten universiteiten en HBO-instellingen hierop reageren?
Tot slot van deze serie het weerwoord van Daan Rijsenbrij,
die in maart een pleidooi hield voor een deltaplan op het
gebied van universitaire IT-opleidingen. Veel kritiek volgde.
Vandaag zijn antwoord. Dit is de negende en laatste aflevering
in een serie. Eerdere artikelen verschenen 25 februari, 4,
11, 18, 25 maart, 1, 8 en 15 april.

Deze serie in Automatisering Gids heeft een aantal weken de
schijnwerpers gericht op de mogelijke impact van offshoring
op het onderwijs. In mijn bijdrage van 11 maart heb ik, zoals
van mij verwacht, een expliciete, harde stellingname gekozen
als katalysator om een forse discussie te entameren.  Voorts
sprak ik de hoop uit dat de onrust, veroorzaakt door offshoring,
de wake-up call is om in Nederland alsnog te investeren in
onze eigen kenniseconomie.

Terecht stelden Marko van Eekelen, Jan Tretmans en Tim Willemse
van de Radboud Universiteit dat outsourcing en offshoring
illustreren dat de informatica als discipline tot wasdom komt.
Wat echter mistte in de verschillende reacties is een expliciete
toekomstvisie op de behoefte aan IT-competenties in Nederland.
Voor mijn persoonlijke toekomstvisie zie het eerder gepubliceerde
artikel van 11 maart en de website:  http://outsourcing.rijsenbrij.com.
De impliciete toekomstvisies van de Vrije Universiteit, de
Universiteit van Tilburg en de Radboud Universiteit liggen
daarmee grotendeels in lijn. Ik vraag mij daarom af tegen
welke achtergrond de curricula gemaakt, gevalueerd en gevolueerd
worden.  Prof. Piet Ribbers stelde dat offshore outsourcing
haar bestaansrecht mede ontleent aan de verschillen in
loonkosten. Dit is echter een tijdelijk argument. Uiteindelijk
zal offshoring gaan om competentieclusters. En het is nu
relatief goedkoop om dergelijke competentieclusters op te
bouwen in lagelonenlanden.

Prof. Ed Brinksma poneerde dat de meerwaarde van de studenten
in Twente zit in het feit dat hun niveau hoger ligt dan benodigd
voor het gros van het nu uitbestede werk: het programmeren of
assembleren van software. Ik denk echter dat hij zich onvoldoende
realiseert wat providers als TCS, Infosys en Wipro precies
doen. Ook de veronderstelling van prof. Jos Baeten dat een
Indiase ITer uitsluitend wordt ingeschakeld voor programmeurswerk,
loopt een beetje achter bij de werkelijkheid.

Lex Bijlsma benadrukte de noodzaak tot het eenduidig en precies
specificeren van de functionaliteit van de te genereren code
dan wel de code die offshore wordt gemaakt. Maar in mijn visie
zullen veel IT-functionaliteiten verworden tot commodities,
gestandaardiseerde services, die middels gestandaardiseerde
menulijsten overal ter wereld zullen worden aangeboden. Dit
wordt het ultieme antwoord op onze worsteling met modularisatie,
objectorintatie en componentenbibliotheken. Wij moeten ons
gaan realiseren dat het overgrote deel van de IT-business een
McDonalds uitstraling krijgt. Er is slechts een beperkte
behoefte aan driesterrenrestaurants. Voorts stelde Bijlsma
dat voor het vervaardigen van programmatuur waarvan de taken
vooraf niet volledig kunnen worden beschreven omdat daarvoor
eerst een gedetailleerde studie van de gebruikssituatie vereist
is, frequent en intensief contact tussen clint en ontwikkelaars
onontbeerlijk blijft. Volgens mij gaat die noodzaak voorbij.
In het licht van servicegericht aanbod met een beperkte variatie
in luxe, zijn wij als het ware bezig de overstap te maken van
een kruidenierszaak naar de supermarkt. Het geloof in het
succes van de supermarkt was bij de introductie heel laag
omdat iedereen overtuigd was van de behoefte aan een persoonlijke
benadering. Toch heeft de supermarkt uiteindelijk gewonnen.
De portemonnee heeft immers altijd de laatste stem, en dat
geldt ook voor ondernemingen.

Terecht stelde prof. Jos Baeten dat het voor een wetenschappelijke
opleiding van belang is de nadruk te leggen op de fundamentele
concepten, principes en grondslagen van de discipline, juist
omdat alleen zo de beoogde halfwaardetijd kan worden bereikt.
Alleen verschillen wij zeer sterk over de beoogde disciplines.
Jammer genoeg sprak Baeten daarna over de noodzaak van een
gedegen theoretische ondergrond waar hij mijns inziens het
woord conceptueel had moeten gebruiken.  Prof. Hans Wortmann
sprak terecht de verwachting uit dat Nederland zich moet gaan
richten op enkele nichemarkten. Ik ben benieuwd waar hij aan
denkt.

Deltaplan

Er is behoefte aan een deltaplan op het gebied van universitaire
IT-leergangen. Daarmee bedoel ik dat er een fundamenteel
onderzoek moet komen waar met naam en toenaam de IT-functies
worden genoemd die, op termijn, zullen verdwijnen en de
IT-functies die boven de horizon zullen verschijnen, aangevuld
met een schatting van de kwantiteiten. Vervolgens zou een
herverkaveling dienen te geschieden om levensvatbare
opleidingsclusters op te zetten.

Ik proef in de verschillende reacties op mijn idee van een
deltaplan nogal wat weerstand. Dat was wel te verwachten. Vlak
na de Tweede Wereldoorlog lag de landbouw in Nederland op zn
gat, het was niet meer efficint. Als oplossing voor het lage
rendement werd toen een grootscheepse herverkaveling toegepast.
Al die kleine lapjes grond werden gesaneerd tot rendabele
kavels. Menig keuterboertje was furieus en vond het absolute
onzin. Dit lijkt op de huidige situatie van de Nederlandse
IT-faculteiten.  Velen willen hun eigen hobby doorzetten en
hebben absoluut geen interesse in het grotere geheel. Dat was
duidelijk te zien aan de klank van sommige wat emotioneel
getinte reacties. Maar zelfs prof. Pieter Adriaans constateerde
het probleem van versplinterde curricula. Hij legde de schuld
van te weinig studenten echter buiten zichzelf neer.

En waar blijft de Nederlandse student?

Prof. Jan Bergstra merkte op dat door het aanzienlijke aantal
studenten van buiten Europa dat zijn masteropleidingen
tegenwoordig bezoekt, met name de master grid computing en
logica, wij indirect profiteren van de behoefte aan geschoold
personeel in landen waarheen de outsourcing plaatsvindt. Ik
vraag mij alleen af Wat wordt de Nederlandse kenniseconomie
daar beter van? of: Is dit ontwikkelingswerk voor de wereld?
Dat laatste juich ik enthousiast toe, maar dan zou ik de
financiering graag zien door Agnes van Ardenne. Ook uit andere
reacties blijkt dat wij trots zijn op al die belangstelling
uit het buitenland. Wij maken onszelf wijs dat wij een nieuw
exportproduct hebben ontwikkeld: academische kennis. Maar
naast trots te zijn op wat wij als Nederland schenken aan de
wereld, zou dit fenomeen ook kunnen worden genterpreteerd als
een symptoom dat voor Nederlanders ons universitaire IT-onderwijs
niet meer echt interessant is, niet uitdagend, wellicht zelfs
niet bij de tijd.

Het relatief lage salaris voor promovendi kan niet de reden
zijn dat er te weinig studenten willen promoveren. Immers bij
medische specialisaties moet je ook eerst een tijdje met droog
brood genoegen nemen alvorens je een leuk salaris kunt krijgen.
De werkelijke reden van het lage enthousiasme tot promoveren
zou best eens kunnen liggen in het feit dat veel onderzoek
niet zoveel toegevoegde waarde heeft. Als promovendus maak je
door onderzoek te verrichten geen werkelijke sprong voorwaarts.
Na vier jaar kom je bij een bedrijf of een informaticabureau
dat dan tegen je zegt dat je vier jaar ouder bent en niet echt
vier jaar mee relevant inzicht hebt verworven.  Tenslotte
klinkt het nogal merkwaardig dat prof. Roel Wieringa de groei
van het aantal buitenlandse promovendi en buitenlandse
master-studenten in Twente nadrukkelijk toejuicht. Ik vraag
mij af of hij niet wakker ligt van de vraag waarom hij geen
onderzoek of onderwijs kan bieden dat werkelijk boeiend is
voor Nederlandse studenten.

Knuffel

In mijn artikel van 11 maart stonden een aantal vragen waarop
het volgens mij verstandig zou zijn als universitaire gemeenschap
te reflecteren.  Jammer genoeg zijn er nauwelijks antwoorden
gegeven. Voorts riep ik op tot een serieuze self assessment
over de toekomstvastheid van de portfolio van academische
IT-opleidingen. Nogal merkwaardig was de reactie van prof.
Pieter Adriaans. De klank van zijn antwoord heeft meer weg
van een verwend kind dat bang is dat zijn knuffel wordt afgepakt
dan een zakelijk en nuchter antwoord op vragen die ik als
stakeholder van de Nederlandse kenniseconomie en als
belastingbetaler betamelijk vind.

Hoewel hij stelde dat de samenwerking met de Nederlandse
IT-industrie verbetering behoeft, liet hij zich uitermate
denigrerend over hen uit.  Logisch toch dat zij niet naar hem
luisteren, zo ga je niet met je potentile partners om. Ik
stelde dat de lokaal benodigde IT-competenties in de toekomst
zeer gerelateerd zullen zijn aan zaken die bepaald worden door
de lokale bedrijfscultuur. Dat is Adriaans geheel vreemd zoals
blijkt uit zijn wat bizarre antwoorden. Jammer, wellicht
realiseert hij zich niet dat hij gemeenschapsgeld gebruikt.
Voorts mag van een hoogleraar worden verwacht dat hij de vraag
eerst goed leest alvorens hij lukraak een antwoord geeft. Een
advies dat ik in ieder geval geef aan mijn studenten voor hun
tentamen.

Er is veel nieuw onderzoek nodig op IT-gebied om te zorgen
dat Nederland de boot niet gaat missen in de voortgaande
offshoring. Een te verwachten reactie van bedrijfsleven en de
ministeries van OC&W en EZ bij de vraag naar extra geld zal
zijn: Van welke voor de Nederlandse kenniseconomie minder
relevante onderzoeksonderwerpen wil je afscheid nemen? Bepaal
als universitaire gemeenschap eerst eens je prioriteiten.
Kortom, in tegenstelling tot prof. Roel Wieringa kom ik helemaal
niet tot de observatie dat de discussie over offshoring een
opmerkelijke consensus laat zien onder opleiders. De uitlatingen
varieerden van uiterst toekomstgerichte
onderwijs- en onderzoeksinitiatieven aan de Vrije Universiteit,
de Radboud Universiteit en de Universiteit van Tilburg, tot
curieuze opmerkingen rond lange halfwaardetijden. Ik heb
trouwens nergens gesteld dat beveiliging als vak dient te
worden afgeschaft zoals Wieringa beweerde. Integendeel, een
gebrek aan werkelijke kennis op securitygebied is de remmende
factor voor het doorbreken van grootschalige e-business.
Gezien de stroomversnelling in offshoring is het de hoogste
tijd dat het bedrijfsleven, de Nederlandse IT-industrie en de
Nederlandse IT-hoogleraren eens om de tafel gaan zitten om
een realistische toekomst uit te stippelen, waarbij de
hoogleraren bereid zijn om werkelijk te willen veranderen.
Kortom mijn hooggeleerde collegae moeten zich realiseren dat
de studenten en het bedrijfsleven hun klanten zijn. Mijn
advies: luister naar wat zij nodig hebben. En als de klant
niet genteresseerd lijkt te zijn ligt de schuld niet per
definitie bij die klant.

Prof. Daan Rijsenbrij is Vice President en ThoughtLeader bij
Capgemini Outsourcing. Hij is bijzonder hoogleraar architectuur
aan de Radboud Universiteit. Voorts is hij voorzitter van het
Platform Outsourcing Nederland.  Zie dossier Onderwijs en
offshoring:  www.automatiseringgids.nl/dossiers/ default.asp
(Daan Rijsenbrij)

Weekblad 2005, week 16

Meer weten over de wondere wereld van ICT 
in Jip en Janneke taal? Ga dan naar de
knipselkrant van Chris Verhoef

Deze tekst is copyright SDU.  Niets van deze uitgave
mag zonder schriftelijke toestemming van de uitgever
worden overgenomen of worden gepubliceerd.